Een lange tijd verscholen zelfportret van Rembrandt keert deze week terug naar huis: vanaf dinsdag 29 november hangt het in Escher in Het Paleis, waar het tussen 1850 en 1894 ook al een plek had toen Prins Hendrik, zoon van Koning Willem II, er woonde. Het schilderij is sinds 1898, bijna 125 jaar, niet meer te zien geweest in Nederland en sinds 1967 zelfs niet meer in het openbaar tentoongesteld. Het zelfportret krijgt een bijzondere plaats tussen de beroemde zelfportretten van de Nederlandse prentkunstenaar M.C. Escher, wiens werk sinds 2002 in het paleis hangt. Het schilderij van Rembrandt is hier t/m 29 januari 2023 te zien.

Rembrandt, Zelfportret, 1643, privécollectie

Bewogen reis
Aanleiding voor deze bijzondere gebeurtenis is recent onderzoek naar de geschiedenis van het schilderij door Rembrandt-specialist Gary Schwartz. Schwartz maakte gebruik van tal van ongepubliceerde documenten in het Koninklijk Huisarchief, de archieven van de Amerikaanse en Duitse overheden, de National Gallery of Art in Washington, Duitse rechtbanken, en particuliere correspondentie tussen Erfgroothertogin Elisabeth en de Duits-Amerikaanse Rembrandtspecialist Jakob Rosenberg. In zijn publicatie Rembrandt met rode baret, De wilde avonturen van een bezadigd zelfportret geeft Schwartz een reconstructie van de lotgevallen van dit belangrijke kunstwerk.
Het schilderij heeft door de eeuwen heen nogal wat te verduren gehad. In 1823 werd het gekocht door de latere Koning Willem II (1792-1849). In 1839 werd het werk van Brussel naar Den Haag verplaatst, waarna het vanaf 1842 in de nieuwgebouwde Gotische Zaal van het nabijgelegen Paleis Kneuterdijk hing. De dood van Willem II leidde tot een veiling van zijn uitmuntende schilderijencollectie in 1850. Hierna hoefde het zelfportret niet ver te reizen: het kwam te hangen in Paleis Lange Voorhout (tegenwoordig bekend als Escher in Het Paleis), dat toen in bezit was van Willem Frederik Hendrik (1820-1879), Prins van Oranje-Nassau, beter bekend als Hendrik de Zeevaarder. Het schilderij bleef hier ten minste 35 jaar en hoogstwaarschijnlijk 44 jaar.
De verdere geschiedenis van het schilderij leest als een detectiveroman. Met de vererving binnen de koninklijke familie aan Hendriks zus, Prinses Sophie (1824-1897), verliet het werk Nederland en werd het naar de Duitse stad Weimar gebracht, waar zij groothertogin was. Daar hing het tot 1921, toen het gestolen werd uit het Weimar Museum. Het was zoek tot het in 1945 ineens opdook in Amerika.
De Amerikaanse overheid nam het zelfportret in beslag en stuurde het in 1967 weer naar Duitsland met de intentie het terug te laten keren naar het museum in Weimar. Eenmaal terug werd het echter succesvol geclaimd door een erfgename, Erfgroothertogin Elisabeth von Sachsen-Weimar-Eisenach (1912-2010). Het doek verdween weer uit het zicht van het publiek. Tot nu, 55 jaar later.

Toeschrijving aan Rembrandt
Tot 1969 werd het schilderij zonder vraagtekens als een werk van Rembrandt beschouwd. In dat jaar opperde de Duits-Nederlandse kunsthistoricus Horst Gerson het idee dat het van of naar Ferdinand Bol kon zijn. Hoewel geen Bol-expert dit volgens Gary Schwartz ooit heeft willen beamen, werd het wel door het onderzoeksproject Rembrandt Research Project serieus genomen. In Rembrandt met rode baretDe wilde avonturen van een bezadigd zelfportret worden alle tegenwerpingen door Schwartz ontleed en bestreden. Gary Schwartz: “Twijfels over het auteurschap van het schilderij werden in de hand gewerkt door de schade die het zelfportret heeft opgelopen na de diefstal uit Weimar. Onbekwame overschilderingen gaven een verkeerde indruk van de kwaliteit van het werk. Uitgebreid nieuw technologisch onderzoek door het befaamde Schweizerisches Institut für Kunstwissenschaft in Zürich heeft uitgewezen dat alleen het gezicht werk is van de originele schilder. En wie dat gezicht bekijkt zal het moeilijk vinden iets anders te zien dan een zelfportret door de meester zelf.”