Haar revolutionaire, modern-minimale tafelzilver was in ons land zo in trek, dat de jonge Weense ontwerper Christa Ehrlich in 1927 naar Nederland kwam om er te blijven. Museum De Lakenhal toont een overzicht van haar werk.

Theeservies, 1928-1941, Christa Ehrlich, collectie Zilvermuseum Schoonhoven (foto: Gerrit Schreurs)

In 2020 kocht tentoonstellingsmaker en historisch letterkundige Annemieke Houben via Marktplaats een kunstenaarsverenigingslidmaatschapskaart van Christa Ehrlich (1903-95). Ze vroeg de verkoopster of er toevallig ‘nog meer’ was. Dat bleek zo te zijn. De dame in kwestie, een jongere vriendin van Ehrlich, bracht vier plastic boodschappentassen met modetekeningen, productschetsen, textielstaaltjes, kleur- en ornamentoefeningen en privéfoto’s uit Ehrlichs Weense academieperiode. Alles werd geschonken mits er een goede bestemming voor was.
Zo opent de overzichtstentoonstelling in Museum De Lakenhal met Ehrlichs studieopdrachten van de Kunstgewerbeschule volgens de luxe sierkunstopvattingen van de Wiener Werkstätte, het toonaangevende ontwerpcollectief rond 1900. Ehrlich studeerde binnenhuisarchitectuur omdat haar idool, de architect en vormgever Josef Hoffmann, dat doceerde. Na de kunstnijverheidsopleiding werkte ze met Hoffmann aan prestigieuze interieurprojecten waaronder Villa Knips in Wenen en het Oostenrijkse paviljoen op de tentoonstelling ‘Arts Décoratifs’ (1925) in Parijs, het begin van de strak-geometrische art-decostijl.

Zaaloverzicht (foto: Taco van der Eb)

Dieptrekpers
Twee jaar later, in 1927, ontmoette Ehrlich de Nederlander Carel Begeer (1883-1956), edelsmid, Wiener Werkstätte-verzamelaar en directeur-generaal van het bedrijf achter de Zilverfabriek Voorschoten. Allebei namen ze deel aan een kunstnijverheidsexpositie in Leipzig, waar Begeer begeesterd raakte door Ehrlichs daadkracht en charme. Kort ervoor had hij Duitse dieptrekpersmachines aangeschaft waarmee je in één beweging een diepe, holle vorm uit een plaat zilver kon ‘trekken’. Efficiënt en economisch. Nu nog een goede ontwerper. Iets voor haar? Ehrlich zegde toe, al wist ze net zo weinig van zilver als van industrieel ontwerpen.
Op de tentoonstelling, met naast het opgedoken archief talloze zilveren objecten, prijkt Begeers zoetgevooisde uitnodigingsbrief naast Hoffmanns getuigschrift voor Ehrlich. Inderdaad draaide zij haar hand niet om voor de dieptrekpersers. Na wat geëxperimenteer kwam ze uit op de cilinder als standaard. Met een en dezelfde vorm maak je een opbergbus, een theepot of een mokkakannetje, alleen door er passende houten grepen of oren aan te monteren. Haar exuberantere Wiener Werkstätte-interpretatie reserveerde Ehrlich voor siervoorwerpen: bloemmotiefranden om een vaasje en onder een strakke fruitschaal. Al in het najaar van 1927 exposeerde het Haags Gemeentemuseum haar zilveren theeservies en een ‘rokkandelaar’.

Zuurlepel
Door de economische crisis van 1929 ging Begeer over tot het verzilveren van objecten in plaats van ze te laten maken van massief zilver. Ehrlich ontwikkelde hiervoor de goedkopere Zilverpleet-reeks die een groter koperspubliek trok. Destijds kochten jonge echtparen namelijk volledige bestekken en serviesgoed. Als allround ontwerper voelde Ehrlich zowel die markt als de productie-eisen aan. Binnen de Zilverfabriek Voorschoten kreeg zij een aansturende positie, die mannen meestal hadden.
Inmiddels valt Ehrlichs strak functionele stijl minder op dan de verweesde functies van haar zoveeldelige bestekken: van ‘aardbeziënconfiturelepel, aspergetang, croquetteschep’ tot ‘vischschep” en “zuurlepel’.