Waarom liet de bovenlaag van de bevolking zich in de renaissance portretteren? Vanwege status, ijdelheid of het nageslacht. In die zin verschilt de renaissancemens niet veel van ons 21e-eeuwers.

Wat wel duidelijk anders is, vertelt Marion Hamburg tijdens een speciale rondleiding voor Museumtijdschrift-abonnees door de tentoonstelling ‘Vergeet me niet’ in het Amsterdamse Rijksmuseum: de edelman – de opdrachtgever was zelden een edelvrouw – kon zich gedurende een mensenleven slechts een enkel portret permitteren. Nu lopen de mobiele telefoons over van fotoportretten van familieleden, vrienden en jezelf.
De expositie brengt maar liefst honderdtwintig portretten bijeen van uiteenlopende musea. De eerste mensen die het aandurfden om zichzelf af te laten beelden zijn niet in de expositie vertegenwoordigd: dat waren opdrachtgevers van religieuze triptieken, die zich lieten ‘portretteren’ als toeschouwer op een zijpaneel. Het was lange tijd ‘not done’, lees godslasterlijk, om jezelf zonder reden pontificaal af te beelden. De eerste echte portretten zijn dan ook religieus van aard, gevolgd door portretten als eerbetoon aan overleden familieleden. De zeer mooie tentoonstelling opent met twee portretten van waarschijnlijk Dirck Jacobsz, zoon van Jacob Cornelisz. Vooral de tweede is verrassend: daarin is het portret van Dircks overleden vader in de spiegel vervangen door het portret van zijn overleden moeder. Magritte avant la lettre.

‘Portret van Jacob Cornelisz’ (l) en ‘Jacob Cornelisz schildert zijn vrouw Anna’ (r), beide door Dirck Jacobsz, ca. 1533, resp. Rijksmuseum, Amsterdam en Toledo Museum of Art, Toledo

Dirck Jacobsz, ‘Portret van Pompeius Occo’, ca. 1531, Rijksmuseum, Amsterdam

Gebedsportretten
Talrijke vrome portretten hangen aan de muren van het Rijksmuseum, waaronder die van Pompeius Occo (ca. 1531, Rijksmuseum), ook van de hand van Dirck Jacobsz. Occo is met kraag van lynxbont zichtbaar van goede komaf, en een machtig man. Hij houdt een anjer in de ene hand, een teken van liefde en trouw. Zijn andere hand ligt op een schedel: gedenk te sterven, zegt zijn pose.
Verderop hangt een beeldschone dame met lang loshangend haar in gebed verzonken, geschilderd door Albrecht Dürer, mogelijk een van zijn twee zussen. Hamburg wijst op de zachte, omfloerste kleuren in waterverf gewreven in doek, een uitzonderlijke techniek. Doorgaans hebben renaissanceportretten felle kleuren en contrasten, zoals het onbekende biddende paar, in 1470 vereeuwigd door een zekere Guillaume of Pierre Bourgondië. Hij een knalrode tabbard op een groene achtergrond, zij een felrood hoofddeksel in eenzelfde groene omgeving.
We zigzaggen door de expositie, er is te veel te zien en te vertellen om bij elk schilderij stil te staan. “Willen jullie een eng skelet zien?”, vraagt Hamburg. De ‘bruid’ van Hieronymus Tscheckenbürlin, het skelet, is door de wormen aangevreten: zijn darmen hangen eruit, zijn nek hangt half open. Dit is dan ook niet zomaar een bruid. Tscheckenbürlin, telg van een rijke Zwitserse familie, trad op latere leeftijd toe tot het klooster en koos in die zin voor een huwelijk met de Dood, alias het eeuwige leven.
Een moment van twijfel: slaan we het praalgraf van Isabella van Bourbon over? Maar de combinatie van de bronzen overledene en haar pleurants – personen die hardop rouwen zodat de familieleden hun emotie niet hoefden tonen –  is te bijzonder. Zelden zijn deze beelden samen te zien – het praalgraf (Onze-Lieve-Vrouwekathedraal, Antwerpen) en de pleurants (Rijksmuseum, Amsterdam) werden gescheiden door de Beeldenstorm.

Albrecht Dürer, ‘Portret van een jonge vrouw met loshangend haar in gebed’, 1497, Städel Museum, Frankfurt am Main

Bourgondië (Guillaume of Pierre Spicre?), ‘Portretten van een biddende man en vrouw’, ca. 1470, Musée des Beaux-Arts, Dijon

Mona Lisa
Intussen liggen de religieuze beeltenissen achter ons, en vormen de komende portretten een bewijs van ambitie, macht, kennis en toegenomen zelfbewustzijn. We meanderen langs zeldzame dubbelportretten van vader en zoon of moeder en dochter – “kijk hoe teer en realistisch dat kindje is geschilderd”, langs ‘Het schaakspel’ (National Museum Poznan, 1555) van Sofonisba Anguissola, een combinatie van intiem familietafereel en toonbeeld van status, langs het door Titiaan geschilderde, adembenemende joch Ranuccio Farnese, in 1541-42 voor zijn moeder gemaakt en langs het merkwaardige portret van weduwe Beetke van Rasquert (anoniem, 1545), ‘gewoon’ uit het Groninger Museum. Maar dat een vrouw zichzelf zo brutaal en frontaal liet vereeuwigen, is dan weer allerminst gewoon.
Waarom zien mensen op deze portretten er vaak uit alsof de tijd geen vat op ze heeft? Neem Maria van Bourgondië (Nicolas Reiser, ca. 1500, Kunsthistorisches Museum Wenen), na haar dood in opdracht van haar man vereeuwigd. Destijds had men geen foto als basis, maar een eerder geschilderd of getekend portret, vertelt Hamburg. Maria’s beeltenis is in feite een portret van een portret, waarschijnlijk ten tijde van haar huwelijk gemaakt. Om die reden is Maria van Bourgondië voor eeuwig jong.
Langs een verbluffende krijttekening van een ruim 75-jarige Michelangelo (Daniele da Volterre, ca. 1550-53, Teylers Museum) lopen we naar een andere ster van de tentoonstelling: het ‘Portret van een jonge vrouw’, (ca. 1470, Gemäldegalerie Berlijn) geschilderd door de Vlaming Petrus Christus. Reusachtig prijkt zij op de banner op het Rijksmuseum, klein, zo’n 30 x 20 cm, is zij in het echt. Maar haar mysterieuze oogopslag is net als de Mona Lisa alom aanwezig. Wiens dochter of echtgenote was deze beeldschone verschijning? Wisten we het maar, zegt Hamburg.
Het oog en het hoofd verrijkt met prachtige beelden, keert de groep huiswaarts.

Anoniem, ‘Portret van Beetke van Rasquert’, ca. 1545, Groninger Museum

Petrus Christus, ‘Portret van een jonge vrouw’, ca. 1470, Gemäldegalerie, Berlijn

Vergeet me niet’, Rijksmuseum, Amsterdam, t/m 16 januari, rijksmuseum.nl. Catalogus € 29,95 (uitgeverij Rijksmuseum)

In Museumtijdschrift 7 staat een uitgebreid artikel over de tentoonstelling.

Marion Hamburg is een van de drie rondleiders die kleine groepjes Museumtijdschrift-abonnees op woensdag 24 november met veel enthousiasme en kennis door de tentoonstelling gidste. Veel dank aan het Rijksmuseum en de rondleiders.

Hoofdbeeld: Sofonisba Anguissola, ‘Portret van drie zusters Anguissola aan een schaakspel’, 1555, collectie Nationaal Museum, Poznań, Polen