Tentoonstellingen aanmelden

God van de schilders
Michelle Schulte

Stagiaire Museumtijdschrift

  • 2 maanden geleden
  • Blog
  • Beeldende kunst

Conservator Friso Lammertse

Vorige week hield conservator Friso Lammertse in Museum Boijmans Van Beuningen speciaal voor Museumtijdschrift een lezing over Peter Paul Rubens. Over de kunstenaar zelf, maar natuurlijk vooral over zijn olieverfschetsen, van klein tot groot, die in de tentoonstelling centraal staan.

“Al in 1611, toen hij na zijn tijd in Italië pas drie jaar echt goed bezig was in Antwerpen, wordt hij al ‘God van de schilders’ genoemd, en was hij de meest gevierde schilder van Antwerpen. Constantijn Huygens noemde hem ‘een van de wereldwonderen’’’, zo introduceert conservator Friso Lammertse Peter Paul Rubens tijdens zijn lezing over de schilder. Dit naar aanleiding van de door Lammertse samengestelde tentoonstelling ‘Pure Rubens’, een overzicht van de olieverfschetsen van Rubens. Uiteraard begint de lezing met een introductie over Rubens zelf. Die kwam uit een welgestelde familie en sprak vloeiend Latijn en Italiaans. Maar de introductie gaat vooral over Rubens’ ideeën over de schilderkunst, want ‘daardoor kun je die olieverfschetsen iets beter begrijpen’.

Manuscript met notities over de artistieke ideeën van Peter Paul Rubens, circa 1650. Museo Nacional del Prado, Madrid

Het is bijzonder voor een zeventiende-eeuwse schilder, vertelt Lammertse, dat we weten wat voor ideeën Rubens had. Van Rembrandt bijvoorbeeld weten we eigenlijk niets: daar bestaan zeven brieven van en die gaan eigenlijk alleen over geldzaken. Rubens daarentegen heeft zijn ideeën over de schilderkunst opgeschreven, waarschijnlijk met als doel om een theoretisch boek te schrijven. Hierdoor is het volgens Lammertse makkelijker om zijn schilderijen te interpreteren. Zo vond Rubens dat je geen goede schilder kon zijn als je de klassieken niet kent. Hij accepteerde dan ook een baan als hofschilder in Mantua, vooral om naar Rome te kunnen gaan, en rechtvaardigde die studie van de klassieken door te zeggen: “in mijn eigen tijd zijn er geen mooie mensen.” Hij geloofde heilig dat de mensen in de klassieke oudheid er net zo uitzagen zoals ze in de kunst afgebeeld werden.

Overzicht tentoonstellingszaal

Schilder van huid
Rubens bestudeerde de klassieken door ze te kopiëren en te analyseren, zoals de bekende Laocoöngroep, pronkstuk van de Vaticaanse musea. Hij maakte het klassieke beeld echter nooit precies na. Wat de meeste schilders volgens Rubens fout deden, is dat zij ook het steen van de klassieke beelden imiteren, in plaats van de huid van een levend mens. Wat Lammertse betreft is er geen betere, virtuozere huidschilder in de kunstgeschiedenis dan Rubens.

Eén model, twee schilderijen

Behalve levend wilde Rubens mensen ook ‘bewegend’ schilderen. Dit betekent dat hij niet zo getrouw schilderde als zijn voorgangers, want dan gaat alle beweging uit het schilderij. In zijn voltooide schilderijen zit dan ook al beweging, maar in zijn olieverfschetsen nog veel meer vanwege zijn losse penseeltoets.  Die olieverfschetsen zelf onderscheiden hem ook van zijn voorgangers. Voorheen, maar ook in zijn eigen tijd, maakten kunstenaars namelijk een tekening als schets wanneer zij een groot schilderij moesten maken.

Volgens Lammertse zijn er drie redenen waarom Rubens juist olieverfschetsen maakte in plaats van tekeningen. Ten eerste voor de opdrachtgever, die zo een beter beeld had hoe het schilderij zou worden. Zo kon Rubens ook makkelijker opdrachten binnenhalen, zoals het hoofdaltaar van Antwerpen, een van zijn belangrijkste opdrachten. Zijn oude leermeester Otto van Veen kwam met een klein schetsje, terwijl Rubens met grote panelen, volledig in kleur, kwam aanzetten. Dit maakte veel meer indruk, waardoor Rubens er met de opdracht vandoor ging. Ook belangrijk: aan de hand van de olieverfschetsen konden Rubens’ assistenten zien welke kleuren zij moesten gebruiken bij het verwerken van de schets tot het uiteindelijke schilderij. Want Rubens had een groot atelier en gaf zijn assistenten veel vrijheid. Pas als een schilderij klaar was, bracht hij er veranderingen in aan en herstelde ‘fouten’, waarna een werk als een echte Rubens het atelier verliet.

Peter Paul Rubens en atelier, ‘De ontmaskering van Achilles te midden van de dochters van Lycomedes’, circa 1617. Museo Nacional del Prado, Madrid

Maria de Medici
Zijn laatste reden was puur omwille van de expressie. Een voorbeeld is ‘De bekering van Paulus’. Zowel de opdrachtgever als zijn assistenten hebben niks aan aan deze ‘krabbeling’. Hij maakte hem vooral om te experimenteren met de compositie.

Rubens’ schetsen waren zeker niet voor iedereen bedoeld, wat voormalig koningin van Frankrijk Maria de Medici (1575-1642) ondervond toen zij vroeg naar de schetsen die hij gemaakt had voor de schilderijen over haar leven (‘de cyclus van Maria de Medici’). Rubens weigerde vanwege twee redenen. Ten eerste was hij bang dat als hij de schetsen liet zien en Maria ze mooi vond, hij niets meer zou mogen veranderen. Ten tweede zouden de mensen om De Medici heen de schetsen niet begrijpen en een verkeerd beeld van hem krijgen.

Na een uitgebreid vragenrondje, waarbij Lammertse ook uitlegt waarom wij de losse toets van de olieverfschetsen tegenwoordig meer kunnen waarderen dan de voltooide schilderijen (met dank aan de impressionisten) popelen de aanwezigen om de tentoonstelling te gaan bekijken. Met meer kennis en met andere ogen dankzij het bevlogen verhaal van Lammertse.

Met veel dank aan conservator oude kunst Friso Lammertse en Museum Boijmans Van Beuningen. Zie ook het uitgebreide artikel in Museumtijdschrift 2018/6.

‘Pure Rubens’, t/m 13 januari, Museum Boijmans Van Beuningen, Rotterdam, MK geldig, toeslag 2,50 euro, www.boijmans.nl.

Foto’s: Marleen van de Pol
Hoofdbeeld: lezing door Friso Lammertse in Museum Boijmans Van Beuningen

Reageer op God van de schilders

Dit veld is verplicht Vul een geldig emailadres in
Dit veld is verplicht