Tentoonstellingen aanmelden

Licht, kleur en vrolijk gezelschap
Arjan Reinders

Kunstcriticus

  • 2 weken geleden
  • Recensie
  • Beeldende kunst

Lichtstad Parijs was lange tijd een kunstmekka, ook voor Nederlandse schilders. De een wachtte inspiratie en een gloedvolle carrière, de ander drank en geldgebrek.

Het is lastig om in te schatten hoeveel kunstenaars in de achttiende en negentiende eeuw hun geluk beproefden in Parijs, de stad waar het destijds op kunstgebied allemaal gebeurde. Het zullen er honderden, misschien wel duizenden zijn geweest, waaronder een karrevracht Nederlanders. Van de meesten daarvan werd weinig meer vernomen. Toch zijn er ook succesverhalen, waarvan ‘Nederlanders in Parijs 1789-1914’ in het Van Gogh Museum er acht uitlicht, van bekende als Jongkind en Van Dongen tot onbekendere als Kaemmerer, in samenhang met Franse tijdgenoten als Monet en Picasso.

Jan Sluijters, ‘Bal Tabarin’, 1907, Stedelijk Museum Amsterdam.

Het fascinerendst zijn de verhalen van de nu minder bekende kunstenaars, zoals bloemstillevenspecialist Gerard van Spaendonck (1746-1822). Binnen vijf jaar na zijn aankomst in Parijs had hij het er al gemaakt. Zo mocht hij meedoen aan de prestigieuze Salontentoonstelling en schopte hij het tot hofschilder van koning Lodewijk XVI.

De gegoede Franse klasse smulde van Van Spaendoncks levensechte schilderijen met bloemen en vruchten. Kijk naar eentje daarvan, uit 1781, en je begrijpt waarom: je ziet een zeventiende-eeuws Hollands stilleven, maar het boeket staat wel in een hippe negentiende-eeuwse vaas. Klassiek in een eigentijds jasje, heerlijk fijn geschilderd. En dan al die insecten die erin verstopt zitten! Vlinders, vliegen, lieveheersbeestjes en zelfs mieren. Jammer dat die best moeilijk te vinden zijn omdat je als bezoeker middels een koord vakkundig op anderhalve meter afstand van de kunst wordt gehouden – een minpuntje van de tentoonstelling.

Schilderen voor de markt
Voor echt grote talenten lagen de kansen in Parijs voor het oprapen, blijkt uit het verhaal van Ary Scheffer (1795-1858). Op zijn zestiende vertrok hij met zijn ouders, die ook kunstenaar waren, naar Parijs om het daar te gaan maken. Wat ook zo uitpakte: hij studeerde aan de École des Beaux-Arts, raakte bevriend met schilders als Géricault en Delacroix en groeide uit tot een van de beroemdste en invloedrijkste kunstenaars van zijn tijd. Op zijn zesentwintigste werd hij aangesteld als tekenleraar van de kinderen van de hertog van Orléans, de latere koning van Frankrijk.

Gerard van Spaendonck, ‘Bloemen in een albasten vaas en vruchten op een marmeren blad’, 1781, Het Noordbrabants Museum, Den Bosch.

Net als Van Spaendonck hielp ook Scheffer vanuit zijn positie als hofschilder verschillende Nederlandse en Franse schilders verder met hun carrière.

Een apart verhaal is dat van Frederik Hendrik Kaemmerer (1839-1902). Niet de meest interessante schilder misschien, wel erg succesvol. Zijn verblijf in Parijs werd betaald door de machtige kunsthandelaar Adolphe Goupil. Kaemmerers schilderijen van vrolijke gezelschappen in historische kleding vonden gretig aftrek onder Amerikaanse verzamelaars. Zo gretig zelfs dat Goupil hem een contract aanbood om de rest van zijn leven dit soort historische genrestukjes voor de Parijse kunsthandel te maken.

Johan Barthold Jongkind (1819-1891) was dan weer zó populair onder zijn Parijse kunstenaarsvrienden dat zij, toen hij vanwege geldgebrek als gevolg van zijn verslaving aan het nachtleven Parijs moest verlaten, een fonds voor hem oprichtten waardoor hij in 1860 kon terugkeren naar de Franse hoofdstad. En daar uitgroeide tot voorbeeld van onder anderen Claude Monet en Alfred Sisley.

Frederik Hendrik Kaemmerer, ‘Een doop tijdens het Directoire’, 1878.

Kroonverlichte soirée
Latere kunstenaars hielden het doorgaans minder lang vol in Parijs. George Hendrik Breitner (1857-1932), die ooit verzuchtte dat hij, om echt goed te worden, toch eens in de leer moest bij een van de grote Parijse kunstenaars, hield het slechts een maand vol in het leerlingenatelier van Fernand Cormon, waar later ook Van Gogh les zou nemen. Maar zijn korte verblijf was niet voor niets geweest: hij had in Parijs de impressionisten kunnen bestuderen en maakte er prachtige foto’s van het straatbeeld. Ook het enige schilderij dat hij voor zover bekend in Parijs maakte, ‘Het paard van Montmartre’ (1884), is een melancholisch juweel. Terug in Nederland stortte hij zich verrassend genoeg op naakten, in een voor die tijd ongekend rauw realisme.

De Parijse verhalen van Vincent van Gogh (1853-1890), Kees van Dongen (1877-1968) en Piet Mondriaan (1872-1944) zijn bekender, maar niet minder interessant. Ook de impact van hun verblijf in de lichtstad op hun werk is op deze door RKD-medewerker Mayken Jonkman geïnitieerde tentoonstelling mooi te zien. Zo is Van Dongens zesluik van een kroonverlichte soirée op ‘Moulin de la Galette’ (1906, voor het eerst volledig te zien) een spektakelstuk van licht en kleur, dat alleen in Parijs had kunnen ontstaan.

Overigens zijn alle kunstenaarsnetwerken die elkaar in Parijs doorkruisten, van de ateliers en cafés in Montmartre tot aan het Franse hof, uitstekend gedocumenteerd in de begeleidende catalogus.

Preview van de tentoonstelling door MuseumTV:

Kijk voor meer video’s op  

‘Nederlanders in Parijs 1789-1914’, t/m 7 jan 2018, Van Gogh Museum, Amsterdam, MK geldig, www.vangoghmuseum.nl, catalogus € 29,95.

Hoofdbeeld: Piet van der Hem, ‘Moulin Rouge’, ca. 1908-1909, privécollectie, via Mark Smit Ommen.

Reageer op Licht, kleur en vrolijk gezelschap

Dit veld is verplicht Vul een geldig emailadres in
Dit veld is verplicht

Er zijn 2 reacties op Licht, kleur en vrolijk gezelschap
  1. Ellen Kop, Amsterdam

    Prachtige tentoonstelling met verrassende ontdekkingen. Nooit geweten dat onze Hollandse schilders hun Franse collega’s les hebben gegeven, zoals Jongkind Monet e.e.a. bijbracht. Ik kom trouwens graag in het Van Gogh: is dichtbij, biedt alles uit mijn lievelingseeuw, is zeer overzichtelijk en vrij rustig op vrijdagavond. Veel succes ook in het nieuwe jaar gewenst! Ellen Kop, A’dam.