Tentoonstellingen aanmelden

Macht en optische illusies
Erik Spaans

Kunsthistoricus en journalist

  • 12 maanden geleden
  • Recensie

Wat doet een kunsthistoricus nu de musea nog dicht zijn? Erik Spaans verdiept zich in de Britse barok, die bij nader inzien voornamelijk bestaat uit Nederlanders, Zweden, Fransen, Italianen en Duitsers. Voor hun Engelse opdrachtgevers geven zij een eigenzinnige draai aan de traditie waaruit ze zijn voorgekomen.  

Samuel Pepys, een machtig bestuurder bij de Engelse marine, hield tien jaar lang een dagboek bij dat een rijke bron vormt voor historici. Pepys was van betrekkelijk eenvoudige komaf en deed zijn best om niet uit de toon te vallen in gezelschap van de edellieden en gezagsdragers met wie hij omging. Dat vertaalde zich in een obsessieve belangstelling voor mode. Pepys hield de nieuwe trends in het theater nauwgezet bij en noteerde onvermoeibaar welke nieuwe snufjes er voorhanden waren op het gebied van horloges, pruiken, wetenschappelijk instrumenten en rijtuigen.
Zijn dagboeken bieden ook een aardig inkijkje in de toenmalige trends in de beeldende kunsten. Een bloemstilleven van Simon Verelst prees hij als het beste schilderij dat hij ooit zag, al achtte hij de vraagprijs van zeventig pond extravagant. 

Simon Verelst, ‘A Vase of Flowers’, ca. 1669-75, collectie The Ashmolean Museum, Oxford

Pestepidemie
Ook raakte hij niet uitgepraat over de geschilderde ‘perspectives’ die hij zag ten huize van de hoveling Thomas Povey. Pepys noteert in 1664: “Opnieuw raakte ik in vervoering bij het zien van de wonderlijke perspectiefschilderijen die het oog zó weten te bedriegen dat je welhaast niet meer op je eigen gezichtsvermogen zou durven te vertrouwen.” Pepys noemt nergens de naam van de kunstenaar, maar uit een inventarislijst van de bezittingen van Povey valt op te maken dat het om Samuel van Hoogstraten moet gaan. Deze Dordtse schilder besloot in 1662 zijn geluk in Engeland te beproeven. Gevalletje ‘bad timing’. Gedurende de vijf jaar dat hij in Londen verbleef, woedde daar een hevige pestepidemie, ging een groot deel van de stad in vlammen op en vochten de Engelsen een bloedige zeeoorlog uit met de Republiek. In brieven aan het thuisfront beklaagde Van Hoogstraten zich over het uitblijven van succes en in 1667 keerde hij naar Nederland terug.
Dat Van Hoogstraten toch wel emplooi vond in Engeland, moge blijken uit de grote perspectives’ die hij voor verschillende rijke opdrachtgevers schilderde. Er hangen er twee op ‘British Baroque, een tentoonstelling die ruwweg het tijdvak 16601700 beslaat. De schildertrant is zeer Nederlands en dat geldt ook voor de nadrukkelijke manier waarop perspectief en illusionisme de compositie dicteren. Maar het formaat (ruim twee meter hoog) en de decoratieve functie van de schilderijen zijn on-Nederlands. De ‘perspectives’ van Van Hoogstraten hangen in een zaal vol met illusionistische schilderkunst en stillevens. Je zou het ‘hybride’ kunst kunnen noemen.

Samuel Van Hoogstraten, ‘Young Man Reading in a Courtyard’, 1662-66, privécollectie

Talloze maîtresses 
De Leidse stillevenschilder Edwaerdt Collier (vermoedelijk van Engelse komaf) beeldt allerlei Engelstalig drukwerk af op zijn trompe l’oeil brievenborden. De veldslagen van de uit Haarlem afkomstige Jan Wijck krijgen gaandeweg een steeds Engelser aanzien. En de Vlaming Jan Siberechts geeft op Engelse bodem een nieuwe draai aan de landschapsschilderkunst door landhuizen en landgoederen te ‘portretteren’, veelal in vogelvluchtperspectief.  Verder treffen we Zweden, Fransen, Italianen en Duitsers die voor hun Engelse opdrachtgevers een eigenzinnige draai geven aan de traditie waaruit ze zijn voorgekomen.
Resteert de vraag: waar zijn de Engelsen? Tja, die zijn slechts mondjesmaat vertegenwoordigd. Engeland heeft in de tweede helft van de zeventiende eeuw grote namen voortgebracht op het terrein van de wetenschap (Newton), literatuur (Milton), architectuur (Wren), filosofie (Hobbes, Locke) en muziek (Purcell). Maar het valt niet mee om in dit tijdvak de naam van een geboren Engelsman te verzinnen die excelleerde als schilder, tekenaar, graveur of beeldhouwer. De Engelsen betrokken hun kunstenaars eeuwenlang overwegend van het Europese vasteland: Nederland en Vlaanderen voorop. Daar zou in de loop van de achttiende eeuw pas geleidelijk verandering in komen. Wat ook niet hielp was dat Karel II zóveel geld aan zijn talloze maîtresses spendeerde dat er voor de kunsten zelden iets overschoot. De portretbuste (1684) van de koning door Honoré Pellé zier er zéér barok uit, maar er is niets ‘British’ aan. De beeldhouwer was een in Genua werkzame Fransman die nimmer voet op Engelse bodem heeft gezet. 

Honoré Pellé, ‘Charles II’, 1684, collectie Victoria and Albert Museum, Londen

De tentoonstelling ‘British Baroque: Power and Illusion’ was vanaf 4 februari 2020 te zien in Tate Britain, Londen. In verband met maatregelen rondom het Coronavirus is het museum tijdelijk gesloten. Houd de website van Tate Britain in de gaten voor updates rondom de heropening.

Hoofdbeeld: Benedetto Gennari, ‘The Annunciation’, 1686, collectie The John and Mable Ringling Museum of Art, The State Art Museum of Florida, Florida State University, Sarasota, Florida

Reageer op Macht en optische illusies

Dit veld is verplicht Vul een geldig emailadres in
Dit veld is verplicht

Uw reactie wordt gepubliceerd onder dit artikel en kan gebruikt worden in het tijdschrift.

This site is protected by reCAPTCHA and the Google Privacy Policy and Terms of Service apply.

Er zijn 4 reacties op Macht en optische illusies
  1. Ton Laeven

    Barok en RK-kerk gaan hand in hand, als reactie op de Reformatie. Dat aspect ontbrak in Engeland

  2. Hubert van Onna

    Werkten de schilders in die tijd, net als Vermeer, ook met de Camera obscura van Cornelis Drebbel, die vanaf 1604 tot zijn overlijden, nov. 1633 in Londen woonde?

    • mm
      Marina de Vries

      Beste Hubert van Onna, dank voor uw interessante vraag. Dit is het antwoord van onze auteur Erik Spaans: De veelzijdige Drebbel was onder (veel) meer uitvinder, graveur en instrumentmaker. Als schoonzoon (en leerling) van Hendrick Goltzius moet hij veel kunstenaars hebben gekend. Drebbel bracht een groot deel van zijn leven in Londen door waar schrijver en diplomaat Constantijn Huygens hem opzocht en een camera obscura bij hem kocht. Bij terugkeer in Nederland heeft Huygens de werking van zijn camera obscura gedemonstreerd aan enkele kunstenaars onder wie Johannes Torrentius. Torrentius belandde in 1630 in Londen en het is aannemelijk (doch onbewijsbaar) dat hij Drebbel daar heeft ontmoet. Andere Engelse (danwel in Engeland werkzame) kunstenaars met belangstelling voor de camera obscura zijn mij in die periode niet bekend. Het instrument zou een nuttig hulpmiddel geweest kunnen zijn bij het maken van wandschilderingen met ‘perspectives’ in Londense herbergen. We weten dat die veel emplooi boden aan schilders. Helaas is er van dergelijke decoratieve kunst bijna niets bewaard gebleven.