In 1957, toen zijn roman De donkere kamer van Damokles niet wilde vlotten, heeft Willem Frederik Hermans overwogen zich om te scholen tot fotograaf. Hij kocht een professionele camera, mat zich de firmanaam ‘Persfotobedrijf W.F. Hermans’ aan en ging in de leer bij fotograaf en vriend Nico Jesse. Daarmee sloeg hij fanatiek aan het fotograferen in Groningen, Amsterdam en Parijs. Uiteindelijk kreeg de Leica een sleutelrol in zijn roman.Als afsluiting van het ‘Hermansjaar’ – waarin wordt gevierd dat de schrijver honderd jaar geleden werd geboren, presenteert Fotomuseum Den Haag een tentoonstelling waar Hermans’ fotografie centraal staat. Tientallen vintage en nieuwe afdrukken laten zien dat zijn foto’s technisch niet van het hoogste niveau zijn, maar wel zijn doortrokken van de wereldvisie van de schrijver. Hij kijkt met de blik van de geoloog, die in ieder landschap de onderliggende structuren herkent en constateert dat alles om ons heen onherroepelijk in het teken staat van verval en chaos.

Speciaal voor deze tentoonstelling en bijhorende publicatie kregen Piet Schreuders en Bram Oostveen voor eens toegang tot het gesloten foto-archief van Hermans en maakten uit de ruim 15.000 beelden een selectie waarvan het merendeel niet eerder is getoond aan het publiek.