In september opent het feestjaar van het Museum voor Schone Kunsten (MSK) met een tentoonstelling over Albert Baertsoen (1866-1922), één van de grote Belgische kunstenaars van het fin de siècle. Voor het eerst in vijftig jaar zoomt het museum in op deze toonaangevende kunstenaar, wiens succes tot ver buiten de landsgrenzen reikte.

Albert Baertsoen: schilder van Gent
Vanaf september viert het MSK haar 225ste verjaardag en als opener voor dit feestjaar trekt het museum voluit de Gentse kaart. In samenwerking met de Universiteit Gent zet het de schilder, tekenaar en graficus Albert Baertsoen (1866-1922) in de kijker: telg uit een Gentse fabrieksfamilie, een quasi autodidact, en één van de belangrijkste spelers in de Belgische en internationale kunstscène van het fin de siècle.

Baertsoen kende een ware blitzcarrière. In 1888 kaapte hij op het Antwerpse Salon de gouden medaille weg. Hij was op dat moment amper 22 jaar oud, en na dit vroege succes bouwde hij al snel een indrukwekkend netwerk uit van kunstkenners, verzamelaars en collega’s. Veel meer dan wie ook in België bracht hij een onafhankelijke stem in het eigentijdse kunstdebat. Vrijheid van spreken was voor hem het hoogste goed, en daarbij pleitte hij niet zozeer voor eigen winkel maar verdedigde hij vooral het werk van (jonge) kunstenaars waarin hij geloofde. Het leverde hem een unieke positie op: geliefd in zowel behoudsgezinde als progressieve middens.

Door tijdgenoten werd Baertsoen als ‘le peintre de Gand’ omschreven, een eretitel die niet alleen op zijn artistieke belang wees, maar ook sloeg op zijn opmerkelijke liefde voor Gent. Zijn blik was vooral gericht op de vervallen, vervuilde, verlaten stad, die hij vanaf de vroege jaren 1890 talloze keren in beeld bracht. Deze fascinatie voor middeleeuwse steden die als gevolg van de modernisering onherroepelijk van aanblik zouden wijzigen, verklaart ook waarom Baertsoen de interesse opwekte van symbolistische schrijvers als Georges Rodenbach, die zelf werk van de schilder bezat.

Beeld: Logo MSK