In deze tentoonstelling gaat het museum op zoek naar de poëzie achter het beeld en het beeld in de poëzie van klassieke en hedendaagse beeldende kunstenaars en schrijvers in de Leiestreek.

Beeldende kunsten uit onze regio worden gecombineerd met wat er in proza en poëzie geschreven is over de Leiestreek, en over het leven op en rond de rivier Leie. Deze beschouwingen over de regio worden immers al te vaak los van elkaar gezien, terwijl ze deel uitmaakten van een gezamenlijk cultureel leven, waarbij kunstenaars uit alle disciplines doorgaans onderling intens contact hadden en elkaar stimuleerden in hun artistieke praktijk, in welke vorm dan ook.

Het schilderen in de Leiestreek en het bezingen van de regio met woorden neemt aanvang in de 2de helft van de 19de eeuw. Xavier De Cock schildert er rond 1860 in de geest van de pleinairisten één van de eerste belangrijke werken “Overtocht van het veer op de Leie te Latem”. In 1890 presenteert Emile Claus zijn monumentale “Bietenoogst”. Tegelijk is er een uittocht van verschillende kunstenaars uit het steeds meer geïndustrialiseerde Gent. Op het platteland vinden ze de waarachtigheid en de eenvoud van het landelijke leven. Ook dichters-schrijvers als Guido Gezelle, Stijn Streuvels en Karel Van de Woestijne ontdekken op eenzelfde manier de Leiestreek en bezigen de rivier in hun verzen of proza. Gedurende de daaropvolgende generaties en tot op heden zal de rivier de Leie de rode draad en een niet-aflatende inspiratiebron voor kunstenaars blijven. De opvolging werd telkens verzekerd, en daarom kan er in de tentoonstelling werk worden getoond van de klassieke Leieschilders tot dat van moderne en hedendaagse kunstenaars.

Beeld: Dichter bij de Leie, Mudel