Hans Arp (1886-1966) was ervan overtuigd dat kunst en natuur onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn. Arp week af van het gangbare idee om natuurlijke elementen te imiteren en streefde er in plaats daarvan naar om sculpturen te creëren die naadloos aansloten bij de natuurlijke wereld. Als gevolg hiervan ontwikkelde Arp een uniek visueel vocabulaire van ontluikende, organische vormen die zich vloeiend bewogen tussen abstractie en representatie, en die hem bekendheid opleverden als “een eenmanslaboratorium voor de ontdekking van nieuwe vormen”.

Centraal in Arps artistieke praktijk stond gips, een veelzijdig materiaal waarmee hij zijn vloeiende en organische vormen kon vertalen naar een driedimensionale ruimte. Deze gipsen vormen dienden als werkmodellen in zijn studio, waar hij innovatief met het materiaal werkte in een tactiel, cyclisch proces van vormverkenning. Arp – of een van zijn assistenten of de ambachtslieden met wie hij samenwerkte – creëerde ten minste twee gipsen van elke vorm, zodat ze konden worden ontleed, hergebruikt en geïntegreerd in nieuwe creaties. Het atelier van Arp kreeg daardoor de uitstraling van een “versteend, betoverd woud”.

Vanwege hun natuurlijke affiniteit gaf Arp er soms de voorkeur aan zijn sculpturen buiten tentoon te stellen. Na hun creatie werden de bronzen beelden vaak buiten gelaten om te verweren en te rijpen, zodat de natuur er haar stempel op kon drukken. In zijn atelier in Meudon stonden de gipsen vormen achter in de atelierruimte in de tuin, terwijl de bronzen beelden in de tuin zelf werden tentoongesteld, zodat er een naadloze verbinding ontstond tussen binnen en buiten, kunst en natuur.

Beeld: Hans Arp, Berlin, klein