Piet Zwiers vestigde zich, nauwelijks twintig jaar oud, als zelfstandig kunstschilder in Giethoorn. Hij kocht een oude botter waarmee hij door de Noordelijke provincies trok en leefde van wat hij onderweg kon verkopen. Hij trouwde met Gé Mol, een Gieters meisje, dat hem onvoorwaardelijk steunde en hielp met zijn carrière. Nadat hun eerste zoon was geboren, vestigde het gezin zich aan de wal. Na eerst in een voorhuis te hebben gewoond, verhuisden zij begin ‘50 naar de verbouwde boerderij ‘De Gythorn’, die functioneerde als woonhuis, atelier en expositieruimte. De oorlogsjaren kwamen ze met moeite door. Zwiers sloot zich niet aan bij de Kultuurkamer die door de bezetter was ingesteld en bleef daardoor verstoken van verf en doek. In 1945 werd zijn houding geëerd met een uitnodiging voor de tentoonstelling ‘Kunst in Vrijheid’ in het Rijksmuseum.

De getoonde schilderijen geven een goed beeld van de ontwikkeling die Zwiers doormaakte als autodidact. Aanvankelijk was zijn toon donker en traditioneel, na de oorlog ontwikkelde hij zich van impressionist tot expressionist met een kubistische invloed en werden de werken kleurrijker. Zijn krachtige penseelstreken en doelbewuste halen met het paletmes pasten bij zijn postuur, tegelijkertijd kon hij subtiel tekenen met pastelkrijt en maakte hij fijnzinnige gouaches en houtsneden. Zwiers schilderde hoofdzakelijk de natuur in de Kop van Overijssel en uiteraard Giethoorn, met haar bruggen, punters en boerderijen.

De schilderijen op de expositie zijn deels afkomstig uit de collectie van Museum Giethoorn, aangevuld met werken in bruikleen uit particuliere collecties.