Twee zijden en een dikterand vormen een penning. Dat oppervlak, niet groter dan de palm van je hand, is het werkterrein van de penningmaker; als in een gedicht hangt alles met alles samen. Mieras zegt daarover: ‘Aanvankelijk trok de cirkel me, inmiddels val ik vooral voor het kleine formaat’.

Om voorzijde, keerzijde en randschrift te bekijken, moet een penning worden opgepakt. Met die handeling ontsluit de kijker het kunstwerk en precies daarom is een penning bescheiden van formaat en gewicht.

Loopt Mieras door haar atelier met in haar hand een zwart kartonnen rondje, dan is het algauw een zwart gat en het atelier is het heelal. Eet ze achterelkaar een pak Chocoprinsen dan is de laatste koek een eiland en haar atelier de zee waarop Odysseus rondzwerft.

Wie een penning vasthoudt, vindt een spoor dat teruggaat tot in de Italiaanse Renaissance. Zes eeuwen gaven kunstenaars reliëf aan de penning en drukten zich uit op beide zijden.

Tijdens haar opleiding (1984 – 1989) aan de Koninklijke Academie van Beeldende Kunsten in Den Haag kwam Mieras (1964) in aanraking met penningkunst. Geer Steyn, beeldhouwer en docent, zegt over haar werk:

De penning is een onderdeel van het begrip sculptuur in de brede zin van het woord en Mirjam wist na haar studie dit fenomeen uit te bouwen tot een eigen idioom waarin het begrip ‘installatie’ tot zijn recht komt. Haar werk heeft vanuit de verwondering een sterk conceptuele inslag.

In de internationale en de Nederlandse penningkunst is Mirjam Mieras bekend geworden door de Internationale FIDEM-congrespenning Maan en Muis (1998), The Biochemical Society Award Medal (2002), de inschrijfpenning van de Vereniging voor Penningkunst Geheim Geheim (2003) en de J.C. Pompe-penning in opdracht van de Nederlandse Vereniging Voor Pathologie (2012).

Beeld: Mirjam Mieras, Beelden aan Zee