Aan het begin van de twintigste eeuw kregen veel boerderijen in Staphorst en Rouveen opvallend kleurrijke tegelwanden. Sommige daarvan zijn ware lappendekens van patronen: tientallen verschillende tegels naast en door elkaar, samengebracht tot een uitbundig geheel. Deze wanden ontstonden vaak uit restpartijen tegels uit Harlingen, Makkum en Utrecht, die door een lokale handelaar werden opgekocht en een tweede leven kregen op het platteland.

Naast deze samengestelde patronen zijn er ook talrijke kleine tableaus met dieren te vinden, vervaardigd bij Westraven naar schoolplaten van Scholz. Over deze bijzondere tegels publiceerde Jan Pluis eerder al in Tegel (nr. 48, 2020). Zijn schenking van een breed assortiment patroontegels in 2023, samen met enkele belangrijke bruiklenen, vormt nu de directe aanleiding voor deze expositie.

De tentoonstelling stelt een intrigerende vraag centraal: waar komt deze uitgesproken, bonte smaak vandaan? De tegels worden gepresenteerd in de context van een eigenzinnige streekcultuur, waarin kleur en decoratie een belangrijke rol spelen. Te zien zijn onder meer beschilderde houten meubelen, deuren en panelen, het karakteristieke stipwerk in de streekdracht, pronkkasten vol hoog opgestapeld servies en houtimitaties van de zogeheten neuteboom.

Ook kunstenaars raakten door de jaren heen geïnspireerd door Staphorst en Rouveen. Werk van onder anderen Jo Koster, Stien Eelsingh en Joke Plomp laat zien hoe deze lokale beeldtaal doorwerkte in de kunst. Daarnaast wordt het fotoproject Kleurrijk Staphorst van fotograaf Annie van Gemert getoond, waarin bewoners in streekdracht zijn vastgelegd, vaak in hun eigen, rijk ingerichte woonkamers.