Vanaf de jaren 1840, tijdens de snelle industrialisering van België, ontdekten kunstenaars de Kempen: een uitgestrekt en stil landschap met eindeloze heidevelden, vennen, zandwegen en dennenbossen. Het bijzondere, zachte licht, soms grijs en zilverachtig, dan weer warm en goud, maakte de streek extra aantrekkelijk.

Dorpen als Genk, Mol, Kalmthout en Wechelderzande groeiden, dankzij kunstenaars zoals Adrien Joseph Heymans, Jakob Smits, Joseph Coosemans en Emile Van Doren, uit tot belangrijke kunstenaarskolonies. Ver weg van de drukte van de stad vonden schilders er volop inspiratie: heidelandschappen, herders en kuddes, stille dorpen en kronkelende zandpaden.

De Kempen werden voor velen een toevluchtsoord en een plek om te experimenteren met licht, kleur en compositie in direct contact met de natuur. Dat leidde tot talrijke meesterwerken.

De tentoonstelling Gemaakt om geschilderd te worden brengt dit verhaal tot leven met werken van onder anderen Heymans, Coosemans, Van de Velde, Carpentier, Roffiaen en Verstraete, evenals van Jakob Smits en Emile Van Doren. Ze vindt plaats op twee locaties: het Jakob Smitsmuseum in Mol en het Emile Van Dorenmuseum in Genk, die samen tonen hoe de Kempen uitgroeiden tot een unieke bron van artistieke inspiratie.