Jakob Grosse-Ophoff (Oldenburg, 1991) verbeeldt menselijke emoties op een speelse en herkenbare manier. Na zijn opleiding tot werktuigbouwkundige, ontwikkelde hij zich zelfstandig tot beeldhouwer. In zijn kinetische sculpturen vangt hij komische, poëtische en alledaagse momenten die universele gevoelens oproepen.
In een tijd waarin technologische ontwikkelingen elkaar snel opvolgen en mensen gefixeerd zijn op virtuele ‘perfectie’, keert Grosse-Ophoff terug naar eenvoud. Met hout en metaal, soms gecombineerd met alledaagse voorwerpen, creëert hij sculpturen die menselijke gebaren nabootsen. Deze bewegingen worden mechanisch aangedreven door huis-tuin-en-keukenmotoren of handslingers. Hij streeft geen anatomisch realisme na; het gaat om de herkenning van de expressie.
Grosse-Ophoff reduceert de mens vaak tot een handgebaar of niet meer dan een mond. Soms ontbreekt de menselijke figuur volledig, maar blijft de mens onmiskenbaar aanwezig. De bezoeker activeert het werk door op een knop te drukken, aan een slinger te draaien of langs een sensor te bewegen. Hugger (2025) vraagt zelfs om het hele lichaam: wie met de borst tegen een houten veer duwt, wordt omarmd door twee houten armen.
In de tentoonstelling staat menselijke interactie dan ook centraal. Figuren praten, zoenen of vechten. Andere werken tonen hoe de mens zichzelf ziet, bijvoorbeeld in een spiegel of door een filmische klap in het eigen gezicht te verbeelden. Tot slot gaan de sculpturen een directe relatie aan met het publiek: ze geven een kushand, een veelzeggend handgebaar of zelfs een fysieke omhelzing.