7 mei 2026
Op een mannequin tekent een jarenvijftigjurk zich scherp af tegen een lila paneel: kapmouwtjes, puntkraag, een smalle taille en een stof vol zwierende zwarte lijnen en felrode, bijna bloemachtige accenten. Meteen bij binnenkomst van ‘Wilde rokken – Cobra-kunst als textiel’ wordt duidelijk dat de ontwerpen van Karel Appel, Constant, Corneille, Anton Rooskens en Anne Bonnet hier niet als autonome kunst worden getoond, maar als stoffen die bedoeld waren om gebruikt te worden.
Voor Cobra-kunstenaars bood textiel een manier om hun beeldtaal los te maken van het schilderij. Hun felle kleuren, losse lijnen en speelse vormen bleken ook geschikt voor herhaalbare dessins op stof, die konden worden verwerkt tot kleding of meubelbekleding. In die toegepaste vorm krijgt het beeld een extra laag: het beweegt mee met het lichaam, slijt door gebruik en verandert zodra het onderdeel wordt van een interieur of garderobe.
Ontwerpers en dragers
Dat wordt zichtbaar in een jurk uit 1955-56, gemaakt met een stof ontworpen door Karel Appel. De stof is bedrukt met feloranje, gele en donkerblauwe imperfecte cirkels, waartussen groene strepen en kleine abstracte figuren zijn aangebracht. Naast de jurk hangt de oorspronkelijke stofrol, waarop de kleuren nog fel zijn. In gedragen vorm laat de jurk zien hoe wassen en gebruik die kleuren geleidelijk hebben doen vervagen.
De tentoonstelling belicht niet alleen de kunstenaars, maar ook de gebruikers. Dat blijkt bijvoorbeeld uit een jurk van mevrouw Klauderman-Stalknecht, met geaccentueerde taille, licht uitlopende rok en afgeronde sjaalkraag. Ze kocht de stof in 1957 en maakte er zelf een jurk van, en schonk deze in 1977 aan Kunstmuseum Den Haag. De stof bestaat uit organische vlekken in groen, zwart, wit, paars en accenten van geel. De jurk is gepresenteerd op een mannequin, tegen een achtergrond van dezelfde stof in andere kleuren.
Zulke voorbeelden maken duidelijk hoe de ontwerpen hun uiteindelijke vorm vaak buiten het atelier kregen. De stoffen werden industrieel geproduceerd, maar daarna door particulieren verwerkt tot eindproduct. De aandacht verschuift daarmee van de kunstenaar naar de mensen die de stoffen kozen, droegen en ermee leefden.
Wilde rokken in een getemde ruimte
Ook in de presentatie ligt de nadruk op die materiële en gebruiksgerichte kant. De textielen worden niet verheven tot onaantastbare kunstobjecten, maar getoond als stofrol of gebruiksvoorwerp. Het ontwerp van de tentoonstelling is overzichtelijk en beheerst, met een pastelachtig palet van roze, groen en blauw. Dat biedt helderheid, maar temt ook de energie en rauwheid van de getoonde stoffen. De ‘wildheid’ blijft vooral in het materiaal besloten en vertaalt zich minder naar de ruimtelijke ervaring.
‘Wilde rokken’ toont een relatief onderbelicht onderdeel van Cobra: de toepassing van hun beeldtaal in textiel, en in het verlengde daarvan in mode en interieur. De selectie van objecten maakt de tentoonstelling sterk: daarin komen ontwerp, materiaal, gebruik en persoonlijke geschiedenis samen. ‘Wilde rokken’ is soms wat braaf voor een tentoonstelling met die titel, maar maakt wel zichtbaar hoe Cobra ook voortleefde in het alledaagse leven.






