3 februari 2026
Met ‘De werelden van Jan Toorop’ presenteert Singer Laren een rijk overzicht van een van de meest veelzijdige kunstenaars rond 1900. De tentoonstelling toont Toorop als kosmopoliet, verbindt zijn werk aan dat van tijdgenoten en volgelingen, en legt de nadruk op zijn Indische achtergrond. Het is een evenwichtig ingerichte tentoonstelling waarin veel te ontdekken valt, maar die ook vragen oproept over interpretatie en duiding.
Jan Toorop (1858-1928) wist als geen andere kunstenaar van zijn generatie zoveel artistieke ballen tegelijk in de lucht te houden. Als schilder, graficus, ontwerper en vooral fenomenale tekenaar schakelde hij moeiteloos over van realisme naar pointillisme, dan weer via luminisme naar symbolisme. En door zijn internationale contacten met kunstenaars als James Ensor, Gustav Klimt en Ferdinand Hodler hielp hij de genoegzame Nederlandse kunst van de negentiende eeuw de drempel naar de twintigste over. Belangrijk wapenfeit: in 1892 organiseerde hij in het Haagse Pulchri Studio de eerste (postume) eenmanstentoonstelling van Van Gogh. Een vernieuwer voor de twintigste eeuw als generatiegenoten Van Gogh of Kandinsky was Toorop niet. Zijn symbolistische werk hoort thuis in de mystiek geïnspireerde late negentiende eeuw.


Inspiratiebronnen en volgelingen
‘De werelden van Jan Toorop’ plaatst de kunstenaar te midden van jongeren die hem bewonderden als Jan Sluijters, Jacoba van Heemskerck en Charlotte Bouten naast tijdgenoten als James McNeill Whistler, Floris Verster en James Ensor. Vooral zijn contact met Ensor via de kunstenaarsgroep Les XX (Les Vingt) opende nieuwe perspectieven. Toorops De zee(1887), Dame in het wit (1885-86) en Het pianospel (1887) laten goed zien hoe hij zich liet inspireren door Ensors magistrale studies naar licht en kleur, waarin een vaste lijn ontbreekt.
Daarnaast wijst de tentoonstelling op de Indische oorsprong van Toorop. Hij emigreerde op elfjarige leeftijd naar Nederland en zou zijn ouders nooit meer terugzien. In zijn eigen tijd werd al naar zijn afkomst verwezen als ‘Indisch’ of ‘Maleis’. Nogal eenzijdig, want zijn ouders waren immers gemengd Noors, Indisch, Chinees, Engels en Nederlands. De Duitse kunstcriticus Cornelius Gurlitt definieerde hem in 1907 neutraler als “de uit Java afkomstige Nederlander”. “Toorop”, schrijft kunstcriticus Etha Fles in diezelfde tijd, “geeft als half-Maleier, een sensueel exotische kunst met prachtig verfijnde qualiteiten”. En bekend is Toorops eigen uitspraak: “Indië kan niet uit mij worden weggedacht. De grondslag voor mijn werk is Oostersch”. Maar wat betekent dat eigenlijk, oosters? Toorop noch Singer definiëren het.
Een Indisch kunstenaar?
Algemeen wordt aangenomen dat de vormentaal in Toorops symbolistische werk – waaronder het bekende O Grave, where is thy Victory? (1892), met de slappe armen en de amandelvormige ogen – is ontleend aan het wajang-poppenspel. Daarvan zou hij kennis hebben genomen in het toenmalige ’s Rijks Ethnographisch Museum in Leiden (nu Wereldmuseum Leiden). Die wajangachtige figuren zijn eveneens te zien op het tegeltableau Oost en West (ca. 1900) dat Toorop ontwierp voor de gelijknamige Haagse vereniging die de Indische nijverheidskunst uitdroeg.
Maar hier laat de tentoonstelling zien hoezeer een gewenst narratief de interpretatie van het werk kan sturen. Niet de vraag waarom Toorop zich niet als Indisch kunstenaar profileerde is daarbij relevant, maar waarom de tentoonstellingsmakers hem die positie nu wél toeschrijven. In de eerste zaal wordt een schilderij van een Indische man te midden van batikdoeken en muziekinstrumenten uit 1883 gepresenteerd als Zelfportret in atelier. Die titel werd er, zonder bewijs, een jaar of tien geleden aan gegeven met het kennelijk streven Toorop als ‘Indische kunstenaar’ neer te zetten. Toorop specialist Gerard van Wezel wees er eerder op dat de schilder zich liet inspireren door zijn bezoek aan de Internationale Koloniale en Uitvoerhandel Tentoonstelling in Amsterdam in 1883 en de figuranten die hij daar zag. En behalve dat het gezicht van de afgebeelde figuur in niets lijkt op Toorop, is het ondenkbaar dat de jonge, zich als schilder profilerende Toorop zichzelf te midden van muziekinstrumenten als muzikant zou willen portretteren.
Tijdens zijn leven werd Jan Toorop al geëerd met gebeeldhouwde portretten, waarvan Singer Laren er drie laat zien. Het wordt ongemakkelijk wanneer er hier gespeculeerd wordt over de kleur van de donkere, ebbenhouten portretkop uit 1919 door Gijsbert Jacobs van den Hof en de vraag of dat wel overeenkomt met de huidskleur van Toorop zelf. Op dat moment belandt de tentoonstelling in een onduidelijke mix, waarin de kunstenaar Toorop, zijn werk, zijn zelfidentificatie en de receptie van zijn werk op één hoop worden gegooid. Het is een prachtig en evenwichtig ingerichte tentoonstelling waarin veel te ontdekken valt, maar vraagtekens over dat ‘oosterse’ blijven wel hangen.
Lees ook het artikel ‘Grenzeloze Toorop’ door kunsthistoricus en -criticus Kees Keijer in Museumtijdschrift nr 1 • 2026.
Robert-Jan Muller