9 april 2026

Als columnist van Museumtijdschrift deelt Pauline Broekema in elk nummer haar persoonlijke kunstobservaties. In deze column, uit nr 2 • 2026, staat de Bruynzeelkeuken van Piet Zwart centraal, een typisch voorbeeld van de Nederlandse ontwerptraditie. De keuken is te zien in het Kunstmuseum Den Haag, maar ook in het appartement van haar vriendin. 

Extra: luister hieronder de door Pauline Broekema ingesproken column.

Mijn vriendin Henriette is er trots op: ze bezit iets dat ook onderdeel uitmaakt van de vaste collectie van Kunstmuseum Den Haag. Geen Mondriaan of Kandinsky, maar de Bruynzeelkeuken van Piet Zwart (1885-1977). Ze prijst zich gelukkig dat de keuken er nog was toen ze haar appartement tien jaar geleden kocht. De meeste andere bewoners van het flatgebouw uit 1956, van architect Willem Dudok (1884-1974), hebben de schepping van Zwart niet meer. Bij hen kwam daar iets voor in de plaats dat voor eigentijdser werd gehouden. Terwijl, zou je zeggen, die oorspronkelijke keuken juist tijdloos is.

De Bruynzeelkeuken bestaat uit losse delen waardoor hij, zoals de ontwerper dat wilde, is in te passen in elk woonhuis of appartement. In het Kunstmuseum is hij zo opgesteld dat ik hem in één oogopslag kon overzien. Maar waar ik nu sta, in de kleine keuken van Henriette, omringt hij me, als het ware. Alles is binnen handbereik, dat maakt hem heel efficiënt.

Piet Zwart, ‘Bruynzeelkeuken’, 1938, foto: Kunstmuseum Den Haag
Piet Zwart, ‘Bruynzeelkeuken’, 1938, foto: Kunstmuseum Den Haag

Vooruitstrevend
Net als eerder in het museum, valt me ook nu weer op hoe Zwart met dit ontwerp zijn tijd vooruit was. In 1928, tien jaar voordat de keuken in Zaandam uit de fabriek kwam, schetste hij in de krant Het Vaderland wat gaande was: “Onze woning groeit langzaam maar zeker tot een zakelijke ruimte, waarin de dagelijkse levensverrichtingen met een minimum aan lasten en een maximum aan comfort en hygiëne zullen kunnen geschieden.” In die zakelijkheid zijn ruimte en licht bepalend. Bij Henriette werd het aanrecht niet voor niets bij het raam geplaatst.

Onder de gootsteen bevindt zich een gleuf om de handdoek op te hangen en aan weerszijden zijn openingen waar de theedoeken in kunnen. Daaronder zijn de kenmerkende houten roedetjes zichtbaar, met ruimte voor het afwasteiltje. Henriette heeft er geen gordijntje voor gehangen, zoals vaak wél gebeurde. Iets dat Zwart een doorn in het oog zal zijn geweest, omdat het zo zichtbaar afbreuk deed aan de helderheid van zijn ontwerp.

Rebels
“Wie was hij?” vraagt Henriette als we in de woonkamer aan de koffie zitten. Een Zaankanter, vertel ik, geboren in Zaandijk, een streek met ondernemers. Hij was zo’n kind dat wil weten hoe iets in elkaar zit en gemaakt wordt. Dat zag hij in de timmerwerkplaats van zijn vader.

Zwart sr. vond het maar niks dat Piet koos voor de kunsten. Want hoe kun je met ‘een penseeltje’ nou je brood verdienen?

Pauline Broekema, foto: Jan Willem Kaldenbach
Pauline Broekema, foto: Jan Willem Kaldenbach

Rijksmuseumzolder
Zwart jr. studeerde uiteindelijk vijf jaar in Amsterdam aan de Rijksschool voor Kunstnijverheid, gevestigd in het Rijksmuseum, op een enorme zolder met hier en daar wat schotten waartussen de leerlingen werkten. Hij kreeg onderricht in tekenen, schilderen, batikken, koper drijven, weven en houtbewerken.

Tussen de docenten zaten illustere types. Zoals de Oostenrijkse kunstschilder Georg Sturm (1855-1923). Hij ontwierp de decoraties voor het Rijksmuseum en het Centraal Station in Amsterdam. Zwart herinnerde zich hem als een klein mannetje in een jacquet met een hoge hoed op. Keurig gekleed dus, want, zo leerde Sturm zijn pupillen, als een kunstenaar onder de verf zit, betekent dat nog niet dat hij kan schilderen. Die visie nam Piet kennelijk ter harte: op een groepsfoto met medestudenten draagt hij een driedelig pak.

© Bruynzeel Keukens
© Bruynzeel Keukens

Praktische perfectie
Zwart had een hang naar enerzijds het absurde (hij raakte bevriend met dadaïst Kurt Schwitters) maar ook naar het geregelde, het esthetisch perfecte. Terug te vinden in onder meer de vernieuwende advertenties voor de Nederlandse Kabelfabriek in Delft. Het ontbijtservies van geel persglas dat hij samen met H.P. Berlage (1856-1934) ontwierp voor Helene Kröller-Müller. Fotomontages, zoals voor de omslag van het beroemde boek Wij slaven van Suriname van Anton de Kom. En natuurlijk dat waarmee hij bij het grote publiek bekend werd: de Bruynzeelkeuken. Dit oeuvre maakt hem tot één van de grondleggers van die eigengereide Nederlandse ontwerptraditie die eenvoud koppelt aan innovatie en experiment.

Henriette en ik gaan terug naar haar keuken en staan stil bij enkele details, waaronder de subtiel gebogen handgrepen en dat wat Piet Zwart bedacht voor de hoge voorraadkast. Daarin hangt, aan de binnenkant van de deur, een glanzend metalen laddertje met rekjes voor klein spul zoals kruiden. In de drie bovenste planken bracht hij uitsparingen aan waar die rekjes precies inpassen. Henriette demonstreert het en sluit de deur. Het gaat feilloos. “Dit,” zegt ze, “vind ik van die hele keuken nog het allermooiste.”