7 januari 2026

Museum van Bommel van Dam is overgenomen door zeemeerminnen, cyclopen, reuzen, sfinxen en andere grensgevallen tussen mens, dier en fantasie. In de groepstentoonstelling ‘Fantastische wezens’ onderzoeken kunstenaars uit Nederland en de rest van de wereld nieuwe betekenissen van deze mythische figuren.

Zaaloverzicht ‘Fantastische wezens’
Zaaloverzicht ‘Fantastische wezens’

Met het eerste werk zet de tentoonstelling meteen de toon. Medusa (2022) van Susanna Inglada (1983) is een monumentaal, zwierend werk van textiel waar je niet aan ontkomt. Inglada toont geen dreigend monster, maar een zacht, gekweld lichaam waaruit blauwe en groene tranen stromen. De mythische figuur – verkracht door Poseidon en gestraft door Athena – komt hier tevoorschijn als slachtoffer in plaats van monster. Inglada draait het perspectief van de mythe om: wie werd hier eigenlijk tot monster gemaakt, en door wie?

In het werk van Nina van de Ven (1988) verschijnen in pastel en houtskool mens-dierfiguren met leren handschoenen, mutsen, en huid en kleding vol diermotieven. De tekeningen doen tegelijk denken aan middeleeuwse marginalia, Egyptische reliëfs en comics. In die verscheidenheid van beeldtalen weet Van de Ven een herkenbare stijl in zwart-wit te creëren. De betekenissen van haar tekeningen zijn niet eenduidig. Dat doet denken aan de ontstaansgeschiedenis van beelden die steeds nieuwe betekenissen vormen.

Inkanyamba (2021) van Buhlebezwe Siwani (1987) is een schilderachtig doek dat bestaat uit een gouden onderlaag waarop een mengsel van goedkope zeep, groene pigmenten en hars is gegoten – een verwijzing naar schoonmaakproducten die zwarte vrouwen gebruikten in witte Zuid-Afrikaanse huishoudens. De abstracte vormen lijken, zeker in de context van de tentoonstelling, bijna dierlijk. Materiële sporen en spirituele suggesties geven uitdrukking aan hoe koloniale geschiedenis, tradities en persoonlijke ervaringen in elkaar grijpen.

Nina van de Ven, ‘Diana landing on the peeper’, 2025
Nina van de Ven, ‘Diana landing on the peeper’, 2025

Een vergeten bron
Tussen alle hedendaagse werken duikt één historische naam op: Marianne van der Heijden (1922-98). Haar beschilderde etsen uit de jaren tachtig uit de eigen collectie van het museum vormen de inspiratiebron van de tentoonstelling. Hoewel ze ruim veertig jaar oud zijn, ogen ze verrassend fris – hybride figuurtjes, ogenschijnlijk achteloos getekend en lichtvoetig van toon. Haar figuren lijken net zo goed weggelopen uit een kinderverhaal als uit Van der Heijdens eigen zoektocht naar identiteit en geloof. Steeds is de vraag hoe de realiteit zich verhoudt tot onze verbeelding, of zelfs mythologisering ervan.

Het geluid dat subtiel door de zaal zweeft blijkt afkomstig van Grosse fatigue (2013) van Camille Henrot (1978). De video – in 2013 onderscheiden met de Zilveren Leeuw in Venetië – toont in een koortsachtige montage computervensters, archieven, dieren, sterrenstelsels, museale vitrines en Wikipedia-pagina’s. Een stem somt scheppingsverhalen en biologische feiten op, alsof alles in dezelfde desktop past. De film suggereert een soort hedendaagse mythologie: onze tijd kenmerkt zich niet door één verhaal, maar een overvloed aan verhalen, even gelijkwaardig als onoverzichtelijk.

María Sosa, ‘Los monstruos no vivian aquí’, 2020
María Sosa, ‘Los monstruos no vivían aquí’, 2020

Ornamenten en dierlijke vormen
In meerdere werken verschijnen dieren als decoratieve motieven, gecombineerd met andere elementen. Het dier als decoratie is een herkenbaar fenomeen in een wereld waarin echte dieren zelden nog fysiek om ons heen zijn. Dat staat in scherp contrast met Angry animals (2024) van Hella Jongerius (1963). In haar keramische dierenkoppen krijgen dieren juist een ‘stem’. Het zijn sculpturen die hun functie als gebruiksvoorwerp hebben verloren en daarmee elke vorm van dienstbaarheid weigeren. Ze lijken terug te kijken of terug te bijten.

Een duidelijk historisch perspectief komt van María Sosa (1985) met haar meer dan vijf meter brede installatie Los monstruos no vivían aquí (2020). Zij baseert zich op middeleeuwse wereldkaarten waarop onbekend gebied werd bevolkt door monsters. Sosa keert het perspectief om: niet de vreemde wezens waren gevaarlijk, maar de ontdekkingsreizigers zelf. Het echte monster is misschien wel degene die de landkaart tekent.

Ondanks de mythologische thematiek is ‘Fantastische wezens’ geen historische of bombastische tentoonstelling. De werken zijn zorgvuldig en vaak ingetogen gepresenteerd. Wie langzaam kijkt, ziet hoe mythen zich vermengen met vragen over gender, arbeid, kolonialisme en de manieren waarop beelden macht uitoefenen, bijvoorbeeld op andere dieren. Het fantastische blijkt hier geen vlucht uit de werkelijkheid, maar een manier om te reflecteren op hoe we haar willen ordenen.