12 februari 2026
Als columnist van Museumtijdschrift deelt Pauline Broekema in elk nummer haar persoonlijke kunstobservaties. In deze column, uit nr 1 • 2026, beschrijft ze hoe een bezoek aan de permanente tentoonstelling ‘Nieuw Licht’ in het Groninger Museum haar terugvoert naar haar jeugd. De kleurrijke en expressieve landschapsschilderijen van De Ploeg vatten de landschappen waar ze zo vaak heeft langsgefietst.
Extra: luister hieronder de door Pauline Broekema ingesproken column.
Mijn middelbare school stond in het centrum van de stad Groningen. Ik fietste heen en terug via de Moesstraat, die tot het einde van de jaren vijftig een toegangsweg naar de Ommelanden was. Waar de Moesstraat eindigde, begon destijds het eeuwenoude landschap ten noorden van de stad. Met langs het water van het Reitdiep: weilanden, koeien, sloten, kleine boerenplaatsen en smalle landwegen. De hoge wilgen langs de paden droegen, zoals de schilder Johan Dijkstra (1896-1978) ooit schreef, “het teken van de wind in hun kruinen”.
In de jaren zestig verrezen op dat cultuurlandschap huizen en flats. Wij gingen daar wonen. Ik vond Selwerd een kale, fantasieloze wijk. Feit is dat de stadsontwikkelaars en architecten, opgejaagd door de woningnood, befaamde vooroorlogse Groningse bouwmeesters bij lange na niet wisten te evenaren.
Ferme streken
In dat verdwenen land lag ooit de buurtschap Blauw Borgje. Kunstenaar Johan Dijkstra schreef in 1965 in het cultureel tijdschrift Weerwoord: “Er stonden aan de Reitdiepsdijk twee boerderijtjes in een schilderachtige omgeving van oude bomen, wild struikgewas en een besloten hof. We kunnen wel zeggen dat daar de jonge Groningse schilderkunst is geboren.
Schitterende voorbeelden van die beweging zie je in het Groninger Museum op de pas geopende permanente tentoonstelling ‘Nieuw Licht’. De Ploegconservator Anneke de Vries en haar collega’s maakten een prachtige keuze uit het werk van wat De Vries liefkozend “onze oude meesters” noemt.
Aan de wieg van die ‘jonge Groningse schilderkunst’ stond leraar en kunstschilder F. H. Bach (1865-1956). Hij nam zijn studenten van de kunstopleiding Academie Minerva mee het veld in. Dat was een noviteit. Weg uit het lokaal, moesten ze op de fiets door de Moesstraat richting het Reitdiep, naar Blauw Borgje. Hij liet ze daar schetsen. Nooit langer dan een half uur mochten ze werken aan een tekening. En daarna niet ‘peuteren’, maar met ferme streken schilderen.

Emotie in een houding
In 1918 richtten kunstenaars, onder wie enkele leerlingen van Bach, de vereniging De Ploeg op. Schilder Jan Altink (1885-1971) bedacht de naam – het culturele klimaat in Groningen moest doorploegd worden. “Bezeten van kleur” waren ze, zou Ploeglid Job Hansen (1899-1960) later verklaren. Inderdaad, bij hen kon een lucht paars zijn, het zeil van een schip rood, een hooiberg oranje.
In de tentoonstelling ‘Nieuw Licht’ blijf ik het langst stilstaan bij Na het bezoek (1925) van Jan Altink. Wat een durf om zo’n moment op die manier te schilderen! Twee vrouwen doen het bezoek uitgeleide. Aanvankelijk veronderstel ik dat ze daar nu al over de visite staan te roddelen. Maar hoe langer ik naar het tafereel kijk, des te meer ben ik ervan overtuigd dat er iets ernstig aan de hand is. We zien hun gezichten niet. De expressie moet komen van de ruggen. Zo knap, zoals Altink in een houding emotie weet te leggen.
Schouders d’r onder
Thuisgekomen informeer ik naar wat daar vertrekt, welk type rijtuig het karrespoor van de ongeplaveide oranje weg volgt. “Een tilbury”, zegt directeur Geert Pruiksma van het Nationaal Rijtuigmuseum. Zo’n wendbaar tweewielig rijtuigje wordt door de passagier zelf gemend, vertelt hij. Nu weet ik het weer. De tilbury ken ik van verhalen over dorpsartsen. Dokter Cleveringa uit Appingedam, de grootvader van de beroemde jurist Rudolph Cleveringa, ging ermee op ziekenbezoek.
Rijdt daar inderdaad een dokter weg? En kregen de vrouwen slecht nieuws over de zieke in de bedstede, in het boerderijtje achter hen? De vrouw met het paarsrode werkschort lijkt in zichzelf verzonken. De andere, met die sterke, gespierde onderarmen, zet daarentegen haar handen in de zij. Bij haar is het ‘kop d’r veur’, zoals Groningers het treffend verwoorden. Oftewel: kom op, schouders d’r onder. Het rijtuigje gaat zo dadelijk de bocht om en verdwijnt uit zicht. Op weg naar een volgend adres.
Dokter Cleveringa had altijd een hengel bij zich. Tussen de visites door zette hij zijn tilbury in de berm en kwam op adem door even wat te vissen. Hoe herkenbaar. Af en toe fiets ik als vanouds over de Moesstraat richting het noorden. Dan kom ik langs de wierdedorpen Dorkwerd en Oostum. In Garnwerd maak ik meestal een stop. Aan het water, om net als die huisarts even te genieten. Al is het zonder hengel. Dan laat ik tot me doordringen dat het land van de Ploegschilders er nog is. Niet alleen in het museum, maar gelukkig ook in het echt.