14 januari 2026
Als columnist van Museumtijdschrift deelt Pauline Broekema in elk nummer haar persoonlijke kunstobservaties. In deze column, uit nummer 8/2025, beschrijft ze hoe een bezoek aan een rondreizend circus in Normandië haar leidt naar de indrukwekkende circuscollectie van het Allard Pierson, waar schilderijen, tekeningen, duizenden affiches, boeken, foto’s en andere bijzondere stukken over het fenomeen worden bewaard.
Extra: luister hieronder de door Pauline Broekema ingesproken column.
Vanuit het dal klinkt een opgewonden stem. De geluidswagen rijdt, zo te horen, richting zee, naar het kiezelstrand. Daar waar de indrukwekkende kliffen oprijzen, de kalkrotsen waar impressionisten als Claude Monet en Berthe Morisot zo van hielden. De man in de auto neemt de U-bocht bij de boulevard, keert terug en spreekt het dorp nogmaals toe. Hij belooft ons een spectaculaire voorstelling.
De dag daarop volgen we de affiches en komen uit in het naburige dorp. Het circus is neergestreken op een koninklijke plek. De middelgrote tent en het indrukwekkende, felgele wagenpark staan op een grasveld tegenover een kasteel waarin keizerin Elisabeth van Oostenrijk, de legendarische Sisi, eens een zomer doorbracht.
Gesol met arme beesten
Onmiddellijk overvalt mij weemoed. De klassieke circussen als Althoff, Boltini, Sarrasani, Renz, Krone… ik heb ze als kind bezocht. De dag van aankomst gingen we kijken naar de opbouw. Liepen langs de wagens met wilde dieren. Een traditie zonder mijn moeder. De tijgers achter de tralies, de kamelen, de olifanten in het stro: ze had een bloedhekel aan ‘dat gesol met die arme beesten’. Daarin was mijn moeder haar tijd niet echt vooruit. Want reeds in de jaren 1930 klonk protest tegen deze exploitatie van dieren, vertelt conservator Frederieke van Wijk van het Allard Pierson in Amsterdam.
Ik ben bij haar omdat ik in die circustent in Normandië weer werd gegrepen door het fenomeen. Die mini-samenleving. Dat reizende bestaan. Medewerkers die een dubbelrol vervullen. Want als we een voorstelling bezoeken en plaatsnemen op de houten bank bij de piste, herken ik de stem van de spreekstalmeester onmiddellijk. Hij is de man van de geluidswagen. En we zijn eerder bij de ingang binnengelaten door een oude clown die nu, tussen de nummers door, lichtgevende speelgoedmolentjes verkoopt.

Duizelingwekkende kleuren
Het Allard Pierson, het museum en de erfgoedcollecties van de Universiteit van Amsterdam, bezit een van de grootste circuscollecties in Europa en heeft alles over het fenomeen: schilderijen, tekeningen, duizenden affiches, boeken, documentatie, foto’s en bijzondere voorwerpen. Van Wijk leidt mij rond door het depot. Op weg naar de kasten met de duizenden affiches komen we langs een kledingrek. Er hangt een schitterend kostuum waarin eens de paardendresseuse Valesca Wilke (1919-99) optrad. Ze werd geboren in een circuswagen, was het kind van een zeeleeuwendompteuse en een paardendresseur. Zo gaat het vaker. Het vak wordt, soms vele generaties lang, doorgegeven.
Ik richt me op luchtacrobatiek. Het onderdeel doet me denken aan het heerlijke zwaaien in de ringen – het enige onderdeel van gym waarin ik vroeger excelleerde. Van Wijk opent een voor een de lades van de affichekasten. Van de beroemde lithograaf en uitgever Adolph Friedländer uit Berlijn heeft het Allard Pierson alleen al 3.500 verschillende internationale circusaffiches.
Prachtige exemplaren komen voorbij, in duizelingwekkende kleuren. En daarom juist vind ik die ene, in blauw en wit, uit 1911 zo mooi. Het reclamebiljet voor de Franse luchtacrobaten Troupe Banola onderscheidt zich door zijn eenvoud en dwingt de kijker daarmee het getoonde ambacht aandachtig te ondergaan. Het is een poster als een instructie. Volg de stippellijn en zie iets waar jaren aan gesleuteld is. Kijk hoe de maker van de affiche met ontzag het circusnummer weergeeft. Je ziet het gebeuren. Hoe de acrobaat snelheid maakt, zich de lucht in zwiept, na de tweede balk een dubbele salto maakt, verder zweeft en na een reis over acht meter door de vanger veilig wordt binnengehaald.
Overgave
Wat maakten ze mee, die mannen van het affiche? Ik struin internet af en vind antwoorden. In een prachtig tweegesprek schetst de in Canada woonachtige, voormalige luchtacrobaat Rodleigh Stevens de Canadese schrijfster Carolyn Whitney-Brown hoe afhankelijk je bent van elkaar. Meters boven de grond moet je erop vertrouwen dat de ‘catcher’ op het juiste moment zijn handen uitsteekt en jou, de ‘flyer’, veilig binnenhaalt. Je legt je lot in zijn handen, zoals dat soms in het leven ook is, en moet ervan uitgaan dat je veilig bent. En na een voorstelling? Dan wordt altijd geëvalueerd, zegt Stevens. Je stelt elkaar vragen: ging er iets fout en wat kan nog beter? En daarna? Dan vervolg je je reis.
Enkele dagen na ons circusbezoek zijn we weer in het dorp. Er hangt hier en daar nog een half afgescheurde poster. Het grasveld is leeg. Alleen een gele vlek midden op het terrein herinnert aan wat er is geweest. Dat daar eens het circus stond.