20 januari 2026
De geur van rottend fruit komt je tegemoet bij binnenkomst van de tentoonstelling ‘Four times two’. Die is afkomstig van de installatie La natura è l’arte del numero (1976) van Mario Merz. Zijn werk wordt getoond naast dat van drie andere kunstenaars, samengebracht onder het begrippenpaar ‘ritme en transformatie’. Verdere uitleg ontbreekt. In dezelfde ruimte contrasteert het donkere bos op het schilderij The girl in white with trees (2002) van Peter Doig met de oranje installatie Zonder titel (1994) van Jos Kruit. Door ze samen te brengen vallen vooral de herhalende beeldelementen op.
Wat hebben de doeken van Michael Krebber gemeen met het videowerk The art-shaped hole in my heart (2015) van Charlotte Lagro in de zaal ‘tijd en zwaartekracht’? Is het dat beide kunstenaars werken met materialen die botsen met de verwachtingen van kunst? Krebber ondergraaft het schilderij door geen verf, maar kinderdekbedden over zijn doeken te spannen, en Lagro maakt een koelkast tot middelpunt zonder die als kunstobject te presenteren. De betekenis ontstaat in de geest van de kijker. Dat maakt ‘Four times two’ toegankelijk voor iedereen: jouw associaties vormen de tentoonstelling.
Na het bezoek aan deze tentoonstelling overviel me een overweldigend gevoel van verveling en droevenis. 12 jaar voor mijn geboorte, in 1969, concipieerde Wim T. Schippers de pindakaasvloer. Tijdens mijn propedeuse kunstgeschiedenis in 1999 werd daar al over gesproken in termen van “…vooral de herrie er om heen was leuk, maar nu verder!” Na decennia bedervende etenswaren op museumvloeren in alle continenten (Dieter Roth – Schimmelhaufen in de jaren ’60-’70, Adrián Villar Rojas – The Theater of Disappearance 2017, Darren Bader – Fruits, vegetables; fruit and vegetable salad 2020) dacht ik: “we hebben het hopelijk nu wel gehad…” Maar nee hoor. Heeft niemand in de gaten dat dit soort conceptuele kunst morsdood is? Overleden aan ernstige bloedarmoede, aan gebrek aan levenslust en creatieve ideeën?