1 juli 2026

Je moet het maar net weten: in de duinen van Kijkduin ligt Hemels gewelf (1996), het landschapskunstwerk van James Turrell waarin de hemel zich als een koepel boven de kijker sluit. Voor Museumtijdschrift nr 5 • 2026 schreef bestsellerauteur Sacha Bronwasser (1968) een literair zomerverhaal met dit kunstwerk in de hoofdrol. In een interview licht Bronwasser haar keuze toe. “Door naar kunst te kijken, heb ik leren schrijven.”
Sacha Bronwasser, foto: Mark Uyl
Sacha Bronwasser, foto: Mark Uyl

Waarmee begint het schrijven van een kort verhaal: met het kunstwerk of het plot?
“Het kunstwerk, altijd. Al schrijf ik ook wel verhalen zonder kunst. Ik hang er meerdere foto’s van aan mijn muur of nog liever, ik ga het bekijken. Ik stop het in mijn hoofd. Maar ik lees er niet te veel over. Ik wil niet hoeven nadenken over wat de kunstenaar ermee bedoelt of hoe ik het werk zou moeten interpreteren. Er moet ruimte blijven, zodat ik vanzelf een situatie zie waarin dat werk een rol speelt. Wat geruststellend is: als dat eerste idee niet goed is, verdwijnt het vanzelf weer. En anders wordt die situatie vanzelf steeds gedetailleerder, tot zich een plot ontvouwt. Dat kan dagen of zelfs weken duren.”

Zijn er specifieke kwaliteiten waaraan een kunstwerk moet voldoen om als aangever van een plot te dienen?
“Het moet iets in mij aanzetten. Of dat kunstwerk heel bekend of juist obscuur is, doet er niet toe. Ook niet of ik het nou mooi of lelijk vind. Wat telt is alleen: maakt het iets los? Zit er een vraag in? Dat kan een irritatie zijn, iets wat ik niet begrijp, een geur zelfs. Of iets puur visueels. Het beeld De vlecht in Rotterdam [Kalliopi Lemos, 2020] verbeeldt dat haar afknippen een daad van protest kan zijn. Het gaf mij een beeld van het haar van vluchtelingen die op de Middellandse Zee zijn verdronken. Een macabere associatie, ik denk ook doordat het in Rotterdam aan het water staat. Waarna zich een plot vormde over twee broers, die de overtocht wel hebben gehaald en voor wie die vlecht symbool staat voor hun moeder. Als een verhaal eenmaal op gang is, volgt het zijn eigen loop, maar zonder dat kunstwerk was het nooit ontstaan.”

James Turrell, ‘Hemels gewelf’, 1996, foto: Siebe Swart
James Turrell, ‘Hemels gewelf’, 1996, foto: Siebe Swart

Wat zette Hemels gewelf bij je aan?
“Ik was er jaren geleden al eens geweest en was onder de indruk. Overigens niet omdat de hemel zich ‘als een koepel om mij heen sloot’, zoals Turrell zegt. Het was de vervorming van geluid en het feit dat ik daar dan vrij ongemakkelijk op zo’n steen lag in de natuur. Je ervaart de omgeving heel indringend, maar je eigen lichaam ook. Je raakt gedesoriënteerd. Toen dacht ik: wat als iemand anderen meeneemt naar dit kunstwerk, om ze in de war te brengen en daar dan weer gebruik van te maken. En dat iemand vervolgens in die verwarde staat blijft. Wat ik in dit geval ook leuk vond, is dat het een ietwat vergeten werk is. Ik gun het veel meer mensen om het te ervaren. Die drang voel ik nog steeds.”

Je had ook verhalen kunnen verzinnen rond een gebouw of een plek in de natuur. Waarom dan toch kunst?
“Kunst biedt vrijheid. Het is gemaakt om iets bij je los te maken, niet met woorden maar in een beeldtaal. Een emotie, een associatie, een herinnering, een nieuw idee. Kunst die uitleggerig is, vind ik meestal niet zo boeiend. Juist kunst die verwarrend of meerduidig is, geeft aanknopingspunten voor een verhaal. Daarom vind ik vervelende mensen vaak interessant, of mensen die ik niet goed kan doorgronden.”

‘Door naar kunst te kijken, heb ik leren schrijven’

In 2019 verscheen de debuutroman Niets is gelogen van Bronwasser. De opvolger Luister werd in 2023 genomineerd voor de Libris Literatuur Prijs en is inmiddels meer dan dertig (!) keer herdrukt. Een jaar later verscheen De lotgevallen, een verhalenbundel waarin telkens één kunstwerk de verhaallijn uitzet. Bronwasser studeerde kunstgeschiedenis en werkte twintig jaar als kunstcriticus, onder meer voor de Volkskrant. “Kunst is mijn gereedschapskist. Mijn voorraadkast ook. Een onuitputtelijke inspiratiebron.”

Hoe heeft deze achtergrond in kunst en journalistiek je schrijverschap beïnvloed?
“Door naar kunst te kijken, heb ik leren schrijven. Wat zie ik? Waar gaat dit werk over? Hoe maak ik taal van beeld? Dat dwingt om goed te observeren en daarbij alle zintuigen te gebruiken. Hoe ik personages beschrijf en locaties, dat is in zekere zin verwant aan hoe ik over kunst schrijf, met dezelfde aandacht voor formuleringen en zinswendingen. Maar het heeft mij ook heel praktisch gevormd; als je voor een krant werkt, moet je deadlines halen. Je hebt beperkte ruimte, dus je leert keuzes maken. Van interviewen heb ik geleerd hoe mensen praten, wat een realistische dialoog is. Maar het is nooit een vooropgezet plan geweest om schrijver te worden. Ik wilde gewoon iets anders. Dat werd literatuur.”

Mis je het rumoer en de scherpte van de journalistiek nooit?
Ferm: “Nee! Ik vind het juist bevrijdend dat ik geen oordeel meer hoef te formuleren over een kunstwerk. Net als kunst biedt ook fictie veel meer vrijheid, een kort verhaal misschien nog wel meer dan een roman. De beperking van een beknopte tijdspanne of een overzichtelijke locatie maakt ruimte voor onverwachte wendingen. Of iets wel kan, doet er even niet toe. Terwijl lezers bij een roman, denk ik, sneller afhaken als het verhaal te ongeloofwaardig is.”

Hoe kwam je op het idee van korte verhalen waarin een kunstwerk het plot aanjaagt?
“Ik denk dat de drang naar een meer vrije omgang met kunstwerken er al langer in zat. Voor De Grote Kunstshow, een serie theaterprogramma’s met kunstwerken op het podium, heb ik meerdere teksten geschreven. Telkens één kunstwerk – niet wat ik er goed of slecht aan vond, maar hoe je ernaar zou kunnen kijken, wat erin te beleven viel. De vertelvorm werd daarin ook steeds vrijer, totdat het complete fictie werd.”

‘Juist kunst die verwarrend of meerduidig is, geeft aanknopingspunten voor een verhaal’

Naast kunst speelt ook toeval een grote rol in je werk. Is dat een bewuste keuze?
“Ik vind het fascinerend hoe ogenschijnlijk toevallige en kleine gebeurtenissen een enorme impact kunnen hebben. Hoe je de liefde van je leven ontmoet, dat had net zo goed niet kunnen gebeuren. Een leven kan zomaar kantelen, dat besef is er altijd. Op uitnodiging van Fiona Tan heb ik teksten geschreven bij een serie politiefoto’s van zakkenrollers uit 1900. Dit werk, Pickpockets, was vorig jaar te zien in Tans tentoonstelling ‘Monomania’ in het Rijksmuseum. Daarvoor heb ik eerst die foto’s heel precies bekeken. Wat voor kleding draagt die persoon? Wat zeggen de gelaatstrekken? Wat zou zijn of haar karakter kunnen zijn? De romanticus in mij is vervolgens op zoek gegaan naar lichtpuntjes in het leven van die mensen. Dat ze stalen om hun gezin te voeden. Of uit liefde of trots. Die mensen zijn daar ook maar in verzeild geraakt. Het idee dat het leven maakbaar is, heb ik nooit gehad.”

Verder lezen

Lees Sacha Bronwassers literaire zomerverhaal ‘Eenheid’ in Museumtijdschrift nr 5 • 2026, vanaf 7 juli verkrijgbaar in de winkel en in onze webshop.