20 mei 2026

In elke editie van Museumtijdschrift deelt Pauline Broekema haar persoonlijke kunstobservaties. In deze column uit nr. 3 • 2026 bekijkt ze een stadsgezicht van Utrecht door Elisabeth Hovy, onderdeel van een grote collectie tekeningen en etsen van Hovy in Het Utrechts Archief.

Extra: luister hieronder de door Pauline Broekema ingesproken column.

Op een tafel in het depot van Het Utrechts Archief heeft kunsthistoricus Victor Lansink de tekening voor me klaargelegd. We kijken bewonderend naar de details. De luchtbogen die zich als armen strekken. De lichtvlek in het hoge raam van de Domkerk. Daaronder, een beetje gruizig, de stad in 1901. De bebouwing draagt de sporen van regen, wind en het roet uit de schoorstenen. Daken werden opgelapt met dakpannen van een afwijkende kleur. Met de blik van nu zou je de zinkplaten op dat brede pand kunnen aanzien voor zonnepanelen. Verderop staat de Pieterskerk en daarachter, waar Utrecht stopt, begint het eindeloze groen.
Het Utrechts Archief heeft 135 tekeningen en etsen van Elisabeth Hovy (1873-1957), waarvan het merendeel kerken, en dan vooral de Domkerk, als onderwerp heeft.

Dat een vrouw van haar generatie zich zo bezighield met architectuur en kerkenbouw in het bijzonder, fascineert me. Uit de tekening op de archieftafel blijkt dat de kunstenaar doorgrondt wat ze tekent. Haar hand is zelfverzekerd. Lansink vindt het knap zoals de verhoudingen van het kerkexterieur kloppen: “Want als je ergens van de proporties afwijkt, dan kom je in de knoei.”

Elisabeth Hovy, ‘Overzicht van de stad Utrecht vanaf de Domkerk’, 1901

De jonge kunstenaar
Hovy groeit op aan de Boothstraat in het hart van Utrecht. Vader is advocaat en moeder bestiert met hulp van twee dienstbodes de huishouding. Het meisje gaat niet naar school, maar wordt met haar zus thuis onderwezen. De monumentale woning is voor Hovy de plek waar alles gebeurt. Zou dat oude huis, in combinatie met het zondagse kerkbezoek, haar interesse in bouwkunde hebben gewekt?

Met vriendinnen volgt Hovy schilderles, ze wil kunstenaar worden. Haar moeder vindt dat niks, maar verzoent zich met die beroepskeuze als blijkt dat haar dochter naast stillevens en stadsgezichten met grote precisie en inzicht ook kerkinterieurs afbeeldt. Een journalist van het Nieuw Utrechts Dagblad schrijft in 1952 dat Hovy het als jonge kunstenaar al heerlijk vond om “in een kerkgebouw het beloop van de pijlers en gewelven te bestuderen”.

In de Domkerk
In 1902 trouwt ze met Jan Adriani, dan nog privaatleraar wis- en natuurkunde en later werkzaam in de armenzorg. Het echtpaar woont aan de Nieuwegracht. Mevrouw Adriani-Hovy, zoals ze dan heet, wordt getypeerd als een bescheiden, vooruitstrevende vrouw met een oprechte interesse in mensen. Met enige regelmaat is ze in de Domkerk te vinden. Vooral als daar restauraties worden uitgevoerd. Ze maakt kennis met de steenhouwers, loodgieters, metselaars en timmerlieden, die haar nog meer inzicht geven in de gotische kathedraal.

De kunstenaar is vast ook wel eens gestuit op de excentrieke steenhouwer Johannes Flentge (1874-1941). Hij is tot aan zijn dood op zoek naar het bewijs dat de Domkerk en de toren werden opgetrokken volgens een goddelijk maatsysteem. Die theorie legt hij vast op wonderlijke tekeningen, te vinden in de Bijzondere Collecties van de Universiteitsbibliotheek Utrecht.

Pauline Broekema, foto: Jan Willem Kaldenbach
Pauline Broekema, foto: Jan Willem Kaldenbach

Smalle wenteltrap op
“Ja, ik denk dat ik weet waar we moeten zijn,” zegt Bas Houba, de dienstdoende koster van de Domkerk, als ik hem op mijn mobieltje de tekening van Hovy laat zien. Hij gaat me voor over een smalle stenen wenteltrap naar de plek waar zij heeft gestaan.

Op de gaanderij maakt mijn sluimerende hoogtevrees plaats voor ontzag voor de geniale constructeurs uit de middeleeuwen. Van dichtbij zie ik hoe de luchtbogen de muur van de kerk verbinden met de zogenoemde luchtboogstoelen, het zijn de steunberen, daar links. Zo wordt de druk op de muren verdeeld en kunnen die het reusachtige gewicht van het dak dragen. Nu begrijp ik, als ik de constructies van zo dichtbij zie, waarom ik de tekening ook zo fraai vind. Hovy heeft er naast de liefde voor de stad haar eerbied voor de bouwers van de Domkerk in vastgelegd.

Haar laatste stilleven
Een doordouwer is de schilder. Als reuma op latere leeftijd vat krijgt op haar rechterhand, leert ze zichzelf met links te schilderen. Een smalle wenteltrap beklimmen, zoals ik dat deed, zit er dan niet meer in. Maar wellicht werpt ze nog wel eens een blik op deze tekening.

Daar, ver boven Utrecht verheven, moet ik ineens denken aan wat de dichter en criticus Jan Engelman op haar uitvaart vertelt. Ze staat, hoogbejaard, op het punt aan een nieuw stilleven te beginnen. In een vaas heeft ze al wat takken met besjes gerangschikt. Maar het doek op haar schildersezel blijft op 7 april 1958 onaangeroerd. “Want,” zei Engelman, “haar geest was reeds begonnen te zweven naar het land dat geen oog gezien heeft.”