27 oktober 2026
Een klein treintje raast door de tentoonstelling ‘Graffiti’. Stap je in, dan kom je langs bestickerde prullenbakken, overgespoten rolluiken en paarse gevaartes van koolzaadwas. Met die vast gelegde route drijft kunstenaar Josephine Pryde (1967) op ironische wijze de spot met de neiging van musea om bezoekers te sturen. De tentoonstelling zelf laat zich juist niet in één richting leiden. Met meer dan 120 doeken, installaties en films laat het Centraal Museum in Utrecht zien hoe graffiti en beeldende kunst elkaar door de jaren heen hebben beïnvloed.
In sommige zalen begeef je je door de felgekleurde tags, losse verfspetters en uitdagende leuzen op de muren bijna op straat. Grote doeken met ballonachtige letters en bonte video-installaties laten zien hoe graffiti zich heeft ontwikkeld. Ooit vooral beschouwd als rebelse tegencultuur, groeide het fenomeen uit tot een gewaardeerde kunstvorm, die ook ruimte biedt aan maatschappijkritische boodschappen. Een zaal met grafische werken van Keith Haring (1958-90) en Jean-Michel Basquiat (1960-88) toont hoe de kunstenaars een brug sloegen tussen graffiti op straat en beeldende kunst in galeries, waardoor de grens tussen beide steeds verder vervaagde.
Toch laat de tentoonstelling zien dat graffiti zich steeds opnieuw aan regels onttrekt, zelfs nu de kunstwereld haar heeft omarmd. You Are Trapped on the Earth So You Will Explode (1983-84) van Lady Pink (1964) en Jenny Holzer (1950) bekritiseert met een groot doek met felrode, skeletachtige figuren en een dreigende tekst een wereld vol angst en controle. In de neonkleurige doeken van Rammellzee (1960-2010) veranderen letters in nauwelijks te ontcijferen vormen. Zijn boodschappen zijn voor niemand te begrijpen, behalve voor de ingewijden in de graffittiscene.


