24 september 2026

Als columnist van Museumtijdschrift deelt Pauline Broekema in elk nummer haar persoonlijke kunstobservaties. In deze column, uit nr 6 • 2026, bespreekt ze de geschiedenis van het keramieken beeldje van Jacobus Arieszoon Arkenbout, scheepvaarder onder de VOC.

Extra: luister hieronder de door Pauline Broekema ingesproken column.

Kijk hem daar staan. Als ik in Het Scheepvaartmuseum in Amsterdam ben, ga ik altijd bij hem langs. Het is zo’n knappe creatie. Gemaakt door een anonieme kunstenaar uit de Zuid-Chinese havenstad Kanton. Uiterst zeldzaam, want over de hele wereld bleven er maar krap veertig van deze kleibeeldjes bewaard. Het Scheepvaartmuseum bezit er twee.

Wat mij zo boeit, is dat ik zelden een achttiende-eeuwer driedimensionaal zo tot leven zie komen. Ik ga op zoek naar zijn achtergrond en leer hem vooral beter kennen door een studie van maritiem historicus Joost Schokkenbroek.

Dit is Jacobus Arieszoon Arkenbout. In 1766 in Enkhuizen geboren. De stad waar het water zo dichtbij is dat een jongen bijna vanzelfsprekend voor de zee kiest. En zeker met een vader die ook vaart.

Onbekende maker, Beeldje van Jacob Ariesz Arkenbout, ca. 1792, foto: Het Scheepvaartmuseum Amsterdam
Onbekende maker, Beeldje van Jacob Ariesz Arkenbout, ca. 1792, foto: Het Scheepvaartmuseum Amsterdam

Als je hem op de rug bekijkt, lijkt hij zo fier en zelfverzekerd. Op zijn glimmend gepoetste zwartleren schoenen. Met de gespierde kuiten in de witte kousen. De driekwartsbroek en de fraai geplooide jas. Zijn steek houdt hij onder de arm. Want met die pruik over zijn haren zal hij het in Kanton al warm genoeg hebben.

Een collega van hem, Jacob van Dam, laat zich zittend portretteren. Hij kiest voor een pose die nog sterker de kracht en macht van zijn werkgever, de Verenigde Oost-Indische Compagnie, uitstraalt. De rug recht, het hoofd geheven.

Arkenbout is nog maar dertien jaar als hij als matroos in dienst komt bij de VOC. Hij valt op, want reeds op een tweede reis wordt hij bevorderd tot assistent van de konstabel, de man die verantwoordelijk is voor de kanonnen en de munitie. Meerdere reizen maakt de jongeman in die functie. Hij heeft dus het vermogen om het rauwe leven aan boord te doorstaan.

Onbekende maker, Beeldje van Jacob Ariesz Arkenbout, ca. 1792, foto: Het Scheepvaartmuseum Amsterdam
Onbekende maker, Beeldje van Jacob Ariesz Arkenbout, ca. 1792, foto: Het Scheepvaartmuseum Amsterdam

Deftig tenue
In 1792, hij is dan al luitenant, arriveert hij met VOC-schip De Rozenburg in China. Het gaat voor anker bij Kanton. Kort na aankomst stapt Arkenbout in een sloep en laat zich over de Parelrivier naar de stad roeien. Hij wandelt in dat deftige tenue door de wijk waar de zogenoemde kleikunstenaars werken. De Engelse advocaat William Hickey (1749-1830) heeft in zijn memoires deze Kantonese ‘facemakers’ beschreven. Niet iedere klant van een portretmaker herkent zich in zijn evenbeeld. Hickey maakt mee hoe een Engelse scheepsarts poseert en zijn portretbeeldje vervolgens afkeurt. Die lelijkerd van klei, dat is hij niet. De kunstenaar legt hem uit dat hij van iemand met zo’n hoofd nou eenmaal geen knappe man kan maken. De Engelsman loopt woedend weg. De wraak is zoet. De volgende dag ziet Hickey de scheepsarts in het klein hangen, bungelend aan een touwtje in een boom.

Pauline Broekema, foto: Jan Willem Kaldenbach
Pauline Broekema, foto: Jan Willem Kaldenbach

Ook de Hollander laat zich portretteren. Op een moment dat hem net iets ongelofelijks is overkomen. Zijn houding mag dan fier zijn, maar zijn gezicht spreekt boekdelen. Hoe knap heeft de kunstenaar zijn stemming weten vast te leggen. Kringen onder zijn ogen. De blik bezorgd, de huid grauw, de lippen samengeknepen tot een streep. Hij ziet op tegen wat komen gaat. Want in de buurt van De Rozenburg ligt nog een VOC-schip voor anker en aan boord van De Zeeland is men in rouw. De hoogste in rang, de schipper, is na een kort ziekbed overleden. Besloten is dat hij, Jacob Ariesz. Arkenbout, hem opvolgt en daarmee, jong als hij is, de verantwoordelijkheid krijgt over een enorm schip en zijn bemanning. Hij maakt zich zorgen, meen ik te zien. Alsof hij daar in Kanton voorvoelt wat staat te gebeuren.

Want onder zijn commando strandt De Zeeland op de terugreis bij Kaap de Goede Hoop. Het schip loopt zware averij op. Pas twee jaar later is de schipper weer terug in Holland. Aan boord zijn de vrouw die hij op de Kaap leerde kennen en hun dochter.

Hij verlaat kort daarna de compagnie en treedt in dienst bij de marine. In 1834 overlijdt hij. Zijn weduwe plaatst in de Opregte Haarlemsche Courant een rouwadvertentie. Haar echtgenoot is heengegaan, “na eene allergelukkigste Echtverbintenis van 42 jaren”.

Het verdriet wenst zij alleen te dragen, want: “Verzoeke van brieven van rouwbeklag verschoond te worden”.

De herinnering aan hem zal levend blijven. Er is immers dat zo treffend gelijkende beeldje, dat kort voor zij hem leerde kennen werd gemaakt in China.