29 juli 2026
Als fervent reiziger kwam M.C. Escher al vroeg in zijn carrière in contact met islamitische kunst. Door hedendaags werk door de vaste opstelling te strooien laat Museum Escher in Het Paleis zien dat zijn werk nog steeds aansluit bij de geometrische beeldtaal van islamitische kunst.
Zeshoekige blokjes, afwisselend zwart en wit, vullen het vlak en veranderen van onder naar boven subtiel van vorm. Eerst raken ze een beetje ingedeukt, zodat een punt ontstaat. Daarna zwellen ze weer op tot regelmatige zeshoeken maar is de donkere kleur grotendeels verdrongen door het licht. Dingen blijven hetzelfde, maar toch wordt alles anders.
Wie het tekstbordje overslaat, zou denken dat dit een werk is van M.C. Escher (1898-1972), net als de prenten die verder nog in de zaal hangen. Ook de titel, Metamorphosis, is Escheriaans. Hij gebruikte die term voor zijn tekeningen waarin landschappen stapsgewijs veranderen in geometrische vlakken of vissen via abstracte tussenvormen transformeren tot vogels.
Maar Metamorphosis is niet van Escher. Het is ruim een halve eeuw na zijn dood gemaakt door Amine Asselman (1989). En niet, zoals Escher dat deed, met liniaal en passer op papier, maar met Marokkaanse tegels die zijn geproduceerd op traditionele ambachtelijke wijze en daardoor allemaal uniek zijn. Asselman is een van twintig hedendaagse kunstenaars die nu in ‘Escher and Islamic Art – 20 Perspectives’ – zoals dat heet – ‘de dialoog aangaan’ met de oude graficus.
Skateboard met spiegelmozaïek
Escher zou waarschijnlijk nooit de wereldwijd bekende maker van mathematische tekeningen zijn geworden als hij niet in 1922 Granada had bezocht. In Zuid-Spanje ontdekte hij het Alhambra, het Moorse fort met zijn islamitische kunstschatten. Hij raakte gefascineerd door de geometrische decoraties en tekende een tegelmotief na. Dat was het startschot voor een diepgaande studie naar het islamitische principe van vlakvulling, een vast element in zijn latere stijl.
Diezelfde esthetiek is terug te vinden in het werk van hedendaagse kunstenaars met een islamitische achtergrond, zoals de studie naar vierkanten van Fatima Barznge (1968), de robuust ogende maar heel fragiele sculpturen van papier van Layla May Arthur (1999) en het wandreliëf met stervormige uitstulpingen van Emin Batman (2000). Ook als de verschijningsvorm afwijkend is – Escher zou niet weten wat te maken van de met spiegelmozaïek versierde skateboards van Leila Nazarian (1986) – zijn het ritme, de herhaling en de subtiele verschuivingen herkenbaar.
Maar wat willen de tentoonstellingsmakers hiermee zeggen? Dat culturele uitwisseling van alle tijden is? Dat Escher misschien meer islamitisch is dan westers? Of dat de kunstenaar met zijn eigen museum een oeuvre heeft gebouwd op wat we nu misschien ‘appropriation’ zouden noemen, het toe-eigenen van andermans cultuur om die te strippen van spirituele en historische betekenis en in te zetten voor eigen doeleinden?
Hassan Hajjaj (1961) geeft een passend antwoord op die laatste interpretatie. Hij fotografeerde van bovenaf een man in hoodie, die over een Escheriaans geblokte vloer loopt. De wand achter de foto en de rest van het zaaltje zijn behangen met een groen-rood patroon waar kleine imperfecties in zitten. Hajjaj pakt zijn culturele erfenis terug en geeft er zijn eigen twist aan.

Vrouw met geweer
Het zijn dit soort werken die de tentoonstelling naar een hoger niveau tillen. De bijdragen die vooral vormverwantschap met Escher tonen, komen niet verder dan een soort beeldrijm. Maar gelukkig zijn er genoeg momenten dat er ook een inhoudelijk bruggetje wordt geslagen. Zoals in de prent die Shehzil Malik (1987) maakte van een glimmende stad vol wolkenkrabbers, die ondergronds een doodse pendant heeft gevuld met buizen en palen. Iets verderop hangt de tekening die Escher maakte van het Italiaanse bergstadje San Gimignano, waar de middeleeuwse torens scherp afsteken tegen de omringende natuur. Was in Eschers tijd de architectuur nog een wonder en de natuur onaangetast, in Maliks wereld gaat het een ten koste van het ander. De meest geslaagde combinatie van Escher en gastkunstenaars is te vinden in de zaal met Eschers tekening van een oog waar een doodshoofd in is gereflecteerd. Kijken is leven en leven is sterven. Die memento mori-boodschap krijgt een extra laag door Suleika Muellers portret van een vrouwelijke architect achter het melkglas van een door haarzelf ontworpen moskee en de weergave van vier belangrijke vrouwen uit de islam als silhouetten van Farwa Moledina (1993). Kijken is hier bekeken worden, maar zonder overmeesterd te worden door een mannelijke blik. Shirin Neshat (1957) zet de zaken verder op scherp met haar foto van een vrouw met hoofddoek en borende blik, die een geweer richt op de camera. Je kijkt de dood in de ogen.



