15 november 2023

Zonder voorkennis voelt het of je in Museum Arnhem op een veilingkijkdag met ouderwetse schilderkunst rondloopt. In werkelijkheid gaat het om tot voor kort verboden kunst uit nazi-Duitsland met meer bloedeloze taferelen dan hakenkruizen en oorlogssituaties. Is deze museale aandacht gerechtvaardigd?

Adolf Ziegler, ‘Die Vier Elemente’, 1937, Bayerische Staatsgemäldesammlungen München, Pinakothek der Moderne, foto: Rolf Hensel

Met ‘Kunst in het derde rijk – Verleiding en afleiding’ presenteert Museum Arnhem de schilderijen en beelden uit het Derde Rijk als reguliere expositie. Dat getuigt van lef in dit museum dat in 1944 zelf in de vuurlinie lag. In de bondsrepubliek was het publiekelijk tonen van “geaarde” kunstuitingen uit nazi-Duitsland lange tijd onmogelijk, zelfs verboden. Na geleidelijke teruggave door het Amerikaanse leger vanaf 1988 verdween dit precaire erfgoed aan oorlogsobjecten buiten zicht in depots van Berlijnse en Beierse historische en militaire musea.
Rond 2000 werd de kunsthistorische interesse te groot om te blijven negeren en kwamen er kleine, degelijk historisch omklede presentaties. Nooit worden de werken museaal getoond: schilderijen hangen op depotrekken, buitenformaat sculpturen zijn ontdaan van de sokkel. Onkunst met vieze bijsmaak verdient geen eer. Waarom we zulke eenduidige propaganda dan toch moeten zien? Al in 1966 pleitte de joods-New Yorkse schrijver Susan Sontag ervoor om Leni Riefenstahls nazipropagandafilms – hoewel moreel verwerpelijk ook innovatief – te beoordelen als “esthetische ervaring”.

Adolf Wissel, ‘Bäuerin’, 1938

Germaanse pin-ups
In de Arnhemse vitrines liggen catalogi, ook van de Entartete Kunst. Deze populistische tegenexpositie in München (1937) ridiculiseerde moderne kunst en leidde meteen tot een totaalverbod ervan. Aan de museummuren prijken geaarde landschappen en boerentaferelen. De zaal volkseigen blote meiden raakt aan kitsch. Soldaten koesterden de kleurenansichten als edel-Germaanse pin-ups. De geploegde akkers, nevelige bergtoppen en het schaamhaargeschilder passen in de ideologie van Bloed en Bodem, maar bieden het esthetisch genot van hotelkamerschilderijen.
Gaandeweg verhardt het beeld. Fiks gekwaste doeken met autobanen in aanbouw. Loeiende hoogovens. Identieke Duitse soldaten die ontspannen een nog nasmeulend stadje aan de Rijn uitrijden. Akeliger is een grijsbruintafereel met twee adelaars bij Helgoland. De grote formaten gedijen bij een hogere, imponerende plaatsing aan de muur dan hier. Dat geldt ook voor de levensgrote naaktbeelden, die de “Godbegenadigde kunstenaars” Josef Thorak en Arno Breker tot zelfs wel drie meter hoog uitvoerden. De opstelling in Arnhem vermijdt deze als heldhaftig bedoelde dreiging – begrijpelijk en verstandig.

Zaaloverzicht, foto: Rolf Hensel

Führers favorieten
Vijf werken ontstijgen de grijsbruine middelmaat. Adolf Wissels indringend realistische portret van een oude boerin (1938) kan zich meten met Holbein. Magistraal, bijna expressionistisch kwastte Claus Bergen letterlijk opduikende duikboten (1941): populaire oorlogsbuit bij de Amerikaanse marine. Ondanks de surrealistische trekjes van zijn temperapaneeltjes (1938-42) verkocht Edmund Steppes zijn eigenzinnige, mystieke landschappen aan de Führer.
Diens grote favoriet was Adolf Zieglers drieluik Die Vier Elemente (1937), belichaamd door koele, maar karaktervol getypeerde naakte jonge vrouwen. Nadat het werk in 2012 deelnam aan een Italiaanse expositie over twintigste-eeuwse neoclassicistische kunst, dreigt de allegorie zijn bruine context te verliezen. Op een filmisch tafereel van Adolf Reich uit 1943 kijkt een vrouw met een dubbelzinnige mengeling van nieuwsgierigheid en medelijden naar een eenbenige oorlogsinvalide. De alledaagse straatscène zou zo uit een oorlogsroman van Hans Fallada kunnen komen.
Stop alle oorlogen. Nu.

De samenstellers Almar Seinen en Jelle Bouwhuis maakten een bijbehorende, inzichtelijke publicatie, verschenen bij WBooks, € 24,95

Adolf Reich, ‘Das grössere Opfer’, 1943, Deutsches Historisches Museum, Berlijn