Ontgroeningen zijn van alle tijden, blijkt uit de tentoonstelling De Bentvueghels in het Centraal Museum in Utrecht. Kunstenaars uit de noordelijke Nederlanden die in de zeventiende eeuw naar Rome vertrokken, vormden omstreeks 1620 een exclusief genootschap dat ongeveer honderd jaar bleef bestaan. Uit tekeningen, etsen en schilderijen, met uiteenlopende onderwerpen van ontgroeningsrituelen, landschappen en portretten, valt af te leiden dat de ‘groentjes’ flink hun best moesten doen om deel uit te maken van de groep.
Na hun toetreding tot de Bentvueghels, dat ‘bende van vogels’ betekent, kregen de leden een heuse bijnaam, zoals ‘Il Bamboccio’ of ‘Krabbetje’. Deze gekke en soms beledigende bijnamen vormen de rode draad in de tentoonstelling. Voor zover de aliassen van de leden bekend zijn, staat bij elk werk hun bijnaam genoteerd.
Na een vluchtige kennismaking met de Bentvueghels, gevolgd door een geschiedenisles over de tekenkunst in de Nederlanden, eindigt de expositie bij de zogenaamde ‘Bamboccianten’. De groep is vernoemd naar een Bentvueghel met de bijnaam Il Bamboccio, die voornamelijk schilderijen maakte over alledaagse onderwerpen. Geen mythische of religieuze schilderingen, maar een groep festivalgangers met op de achtergrond een Romeins stadsgezicht. Bij deze tentoonstelling zijn bekende namen juist geen noodzaak om een mooi beeld te geven van Rome in de zeventiende eeuw.  

Zaaloverzicht ‘De Bentvueghels’
Zaaloverzicht ‘De Bentvueghels’