15 oktober 2026

In de zeventiende eeuw maakten Goudse wevers wandtapijten voor vorsten en regenten in heel Europa. Twee van die kostbare werken zijn nu voor het eerst in eeuwen weer in Gouda te zien. ‘Wonder Walls – Geweven meesterwerken’ in Museum Gouda belicht het vakmanschap van de makers en de rijkdom van hun opdrachtgevers. Een rijke tentoonstelling, al had het museum sommige vragen verder mogen uitdiepen.

Zaaloverzicht ‘Wonder Walls – Geweven meesterwerken’, foto: Aad Hoogendoorn
Zaaloverzicht ‘Wonder Walls – Geweven meesterwerken’, foto: Aad Hoogendoorn

Een groot wandtapijt met een weelderig bos, vogels, een vos en bloemen vult de hoek van de eerste zaal in Museum Gouda. Het tapijt Landschapsverdure (1692-94) vormde jarenlang de backdrop waartegen stellen in het Goudse stadhuis elkaar het jawoord gaven. De deuropeningen die erin zijn gesneden, zijn nog zichtbaar.

De tentoonstelling werpt licht – een zachtgeel licht om de tapijten niet te beschadigen – op de bloeiende zeventiende-eeuwse tapijtwerkplaatsen van Gouda. Lange tijd werd het monumentale tapijt uit de openingszaal aan een mannelijke maker toegeschreven, maar later onderzoek wees uit dat het afkomstig is uit het atelier van tapissier Jannetje Wouters (ca. 1640-1722). Zij leidde de grootste tapijtwerkplaats van de stad. De aandacht voor haar bijdrage aan de tapijtindustrie is een broodnodige aanvulling op de overwegend mannelijke geschiedschrijving.

Zaaloverzicht ‘Wonder Walls – Geweven meesterwerken’, foto: Aad Hoogendoorn
Zaaloverzicht ‘Wonder Walls – Geweven meesterwerken’, foto: Aad Hoogendoorn

Vluchtelingen
Elders in de tentoonstelling, naast een imposant traditioneel weefgetouw, laat een fascinerende video een weefster aan het werk zien. Haar handen dansen over de witte draden van het weefgetouw. Een wever maakt gemiddeld per dag een oppervlak ter grootte van een vuist. De combinatie van de tapijten met uitleg over hun vervaardiging, makers en opdrachtgevers geeft een gelaagd beeld van deze industrie.

De wevers waren veelal protestantse vluchtelingen uit Vlaanderen, die weigerden zich tot het katholicisme te bekeren. Mede dankzij hun vakmanschap groeide Gouda uit tot een belangrijk centrum van de tapijtindustrie, met opdrachtgevers van Duitsland tot Zweden.

Zaaloverzicht ‘Wonder Walls – Geweven meesterwerken’, foto: Aad Hoogendoorn
Zaaloverzicht ‘Wonder Walls – Geweven meesterwerken’, foto: Aad Hoogendoorn

Arm en rijk
Wie als regent op een kussen met een mooi geweven hoes zat, liet zien dat hij niet alleen een ‘seat at the table’ had, maar ook ‘op het pluche’ zat. Verheven boven het volk. Dat is mooi te zien op het schilderij Inschrijving van armen en wezen in het Aalmoezeniershuis (onbekende maker, 1626), waarop zo’n kussen is afgebeeld.

De bestuurders van het Amsterdamse Aalmoezeniershuis stralen met hun luxueuze zwarte kleding en molensteenkragen ontegenzeggelijke macht uit. Ze kijken de toeschouwer aan, terwijl de kinderen en volwassenen voor hen op hulp wachten en achter de scheidingswand nog meer arme mensen staan. Dat de zorg voor armlastige mensen een statussymbool kon zijn voor de gegoede burgerij, is ook te zien aan een prachtig geverfd stuk goudleer dat de bestuurskamer van een weeshuis sierde. Je zorgde voor de armen, maar ook voor een mooi ingerichte werkkamer.

Zaaloverzicht ‘Wonder Walls – Geweven meesterwerken’, foto: Aad Hoogendoorn
Zaaloverzicht ‘Wonder Walls – Geweven meesterwerken’, foto: Aad Hoogendoorn

Plantageperceel nummer 17
Veelzeggend is de manier waarop mensen van kleur zijn verbeeld. Op het wandtapijt Orestes’ wraak op Aegisthus (ca. 1648-62) van Pieter de Cracht knielt een zwarte man, terwijl Orestes, een figuur uit de Griekse mythologie, met opgeheven vinger over hem heen wijst. Dit machtsvertoon laat zich lezen als een bevestiging van de Europese dominantie over andere volkeren. Een gemiste kans dat noch de curator in de audiotoelichting, noch de begeleidende tekst daar dieper op ingaan.

Waar het geld voor het pluche vandaan kwam, dat laat de tentoonstelling wel treffend zien. Eerst zien we een parmantig rijtuigkussen van koopman en president-hoogheemraad Theodorus Bisdom, gemaakt in de werkplaats van de weduwe Alexander Baert en zonen. Ernaast hangt een plattegrond met plantagepercelen in het huidige Guyana in Zuid-Amerika. Daaruit blijkt dat perceel nummer 17 aan plantagehouder Bisdom toebehoorde.

Let ook op de eurocentrische blik in de vier grote wandtapijten uit de werkplaats van Alexander Baert en Clara de Hont (eerste helft achttiende eeuw). Daarop zijn Europa, Azië, Afrika en de Amerika’s gepersonifieerd als vrouwen. Europa is omringd door een wereldbol, een Grieks standbeeldhoofd als verwijzing naar klassieke cultuur, een stapel gouden kronen en een scepter als teken van heerschappij. Azië zit op een kameel. Op het tapijt van Afrika draagt een vrouw een hoofdtooi in de vorm van een olifantenkop, die de wildheid van het continent moet representeren. Amerika heeft een verentooi.

Zaaloverzicht ‘Woven Letters – Mina Abouzahra’, foto: Pim Tops
Zaaloverzicht ‘Woven Letters – Mina Abouzahra’, foto: Pim Tops

Marokko
Naast ‘Wonder Walls’ is in Museum Gouda de solotentoonstelling ‘Woven Letters’ van Mina Abouzahra (1977) te zien. Voor ‘Wonder Walls’ vroeg het museum haar om Goudse verenigingen een ‘seat at the table’ te geven, met eigentijdse varianten van de historische regentenkussens. Van de voetbalvereniging tot MultiCultiKoor Gouda: elke vereniging kreeg een kussen met een uniek ontwerp. Abouzahra reisde hiervoor naar Zuid-Marokko, waar de weefcultuur sterker in leven is gebleven dan in Gouda. Bij de kussens worden de namen van de wevers vermeld. Tegelijkertijd roept die samenwerking ook ongemak op: naar lokale gemeenschappen gaan, hun kennis en vakmanschap benutten en het resultaat vervolgens in een Europees museum tentoonstellen.