23 september 2026
Voor het eerst sinds 1984 zijn alle 88 schilderijen van Vincent van Gogh uit de collectie van het Kröller-Müller Museum tegelijk in Otterlo te zien. Die uitzonderlijke samenkomst krijgt in de tentoonstelling ‘Van Gogh, al onze schilderijen’ een thematische ordening rond geloof, hoop en liefde. Dat levert verrassende dwarsverbanden op.

Normaal gesproken is een deel van de verzameling op reis. Verschillende werken waren het afgelopen jaar in Japan te zien; begin volgend jaar vertrekt een nieuwe groep schilderijen voor een jaar op reis, ook naar Japan. Tussen beide bruikleenperiodes ontstond zat ongeveer vier maanden waarin geen enkel schilderij was uitgeleend. Het museum greep die gelegenheid aan om de volledige schilderijencollectie bij elkaar te brengen.

Wilde cipressen
Maar veel schilderijen bij elkaar maken nog geen tentoonstelling. Er is in elk geval niet gekozen voor de voor de hand liggende chronologische opbouw. Geen slecht idee, want dan kan Van Gogh behoorlijk voorspelbaar worden. Eerst zou je dan langs een hele reeks donkere Brabantse boerenkoppen en figuurstudies moeten ploeteren, waarna het in Parijs en Zuid-Frankrijk eindelijk lichter en kleurrijker wordt, om te eindigen met steeds wildere cipressen, korenvelden en sterrenluchten. Het probleem zit dan vooral bij het eerste deel. Van Gogh was bepaald geen natuurtalent. Veel figuurstudies uit zijn begintijd laten zien dat hij duidelijk moeite had om het schildersvak onder de knie te krijgen.
Daarom heeft het Kröller-Müller gekozen voor een driedelig thema: geloof, hoop en liefde, die zich als hoofdstukken van de tentoonstelling ontvouwen. Deze kapstok is nogal plechtig. Het zijn de drie christelijke deugden die de 23-jarige Van Gogh in 1876 noemde in een preek in een methodistenkerk bij Londen. Hij wilde toen in de voetsporen van zijn vader te treden en dominee worden.

Troost
Geloof, hoop en (naasten)liefde geven het leven richting, troost en houvast, wilde hij de Engelse gelovigen meegeven. Of deze boodschap in de smaak viel, is niet bekend. Zijn ambitie om predikant te worden liep in elk geval op niets uit en een paar jaar later koos hij voor het kunstenaarschap. Daarmee verdween het geloof niet uit zijn leven; alleen de vorm veranderde. De natuur nam de plaats in van de kerk, de boer en de zaaier kregen een bijna religieuze betekenis en schilderen werd een manier om iets wezenlijks over het bestaan te zeggen. Van Gogh wilde met zijn schilderijen troost bieden en hoop geven.
De zalen zijn voornamelijk in gedempte beigetinten ingericht. Dat werkt niet overal even sterk. Sommige van de donkere, vroege koppen kunnen tegen een lichte wand dichtlopen, waardoor ze als zwarte gaten ogen en weinig nuance laten zien. Voor het latere werk pakt die soberheid beter uit: de schilderijen hoeven niet te concurreren met een kleurrijker ontwerp.
Helene Kröller-Müller (1869-1939) kocht haar eerste Van Gogh in 1908 en bouwde vervolgens in hoog tempo een grote collectie op waarin juist de ontwikkeling van de schilder uitzonderlijk breed is vertegenwoordigd. Het ging haar daarbij om het proces en de samenhang en niet uitsluitend om meesterwerken. Ze kocht niet alleen studiemateriaal en schilderijen van de vroege, zoekende jaren, maar ook enkele werken die nog altijd tot zijn meest geliefde behoren, waaronder Caféterras bij nacht (1888), La Berceuse (1889), Brug te Arles (1888) en Portret van Joseph Roulin (1889).

Nerveuze toets
Erg streng is de afbakening in drie deugden overigens niet. Sommige schilderijen kunnen evengoed bij geloof als bij hoop worden ondergebracht. De religieuze symboliek van groei, sterven en wedergeboorte loopt door verschillende thema’s heen. Wel ontstaan er onverwachte dwarsverbanden. De stugge penseelstreek van een vroeg werk kan opeens worden vergeleken met de nerveuze, krullende toets in de schilderijen die Van Gogh tijdens zijn verblijf in de inrichting van Saint-Rémy maakte. Wat aan het einde van zijn leven uitzinnig of onbeheerst lijkt, is eerder het resultaat van een proces waarin hij steeds meer grip op zijn onderwerpen probeert te krijgen.
Populierenlaan bij zonsondergang uit oktober 1884 hangt bijvoorbeeld naast Dennenbomen bij zonsondergang uit december 1889. Het eerste schilderij is nog tamelijk traditioneel en herinnert aan het bekende schilderij Laantje van Middelharnis (1689) van Meindert Hobbema (1638-1709). In het latere schilderij krijgen de bomen bijna iets menselijks, met hun knoestige stammen en gesnoeide takken, alsof ze de sporen dragen van een zwaar bestaan. In beide schilderijen heeft Van Gogh een figuur en een ondergaande zon opgenomen om de toeschouwer eraan te herinneren dat de zon voor iedereen een keer ondergaat. Door dit soort combinaties is het Kröller-Müller Museum er goed in geslaagd om de overbekende schilderijen van Van Gogh met andere ogen te bekijken.