22 oktober 2026
Als columnist van Museumtijdschrift deelt Pauline Broekema in elk nummer haar persoonlijke kunstobservaties. In deze column, uit nr 7 • 2026, gaat ze naar Hellevoetsluis, om het Haringvliet van Hermanus Berserik in het echt te bekijken.
Extra: luister hieronder de door Pauline Broekema ingesproken column.
Het is een schilderij dat je eigenlijk in je eentje, zittend op een kruk, moet ondergaan. Zoals mij dat in Museum Henriette Polak wordt gegund. In Zutphen ben ik ineens aan het Haringvliet. “Kijk maar gewoon”, zei Hermanus Berserik (1921-2002) ooit over hoe je met zijn werk moet omgaan. Hij gaf de werkelijkheid een eigen gezicht, vond hij.
Ik ben met dat ‘Berserik-gezicht’ opgegroeid. Al bijna mijn hele leven ken ik hem. Vanaf mijn vroegste jeugd van de talloze boekomslagen. Later van de affiches, de schetsen, de grafiek en natuurlijk zijn schilderijen. Op doeken en buiten, op muren.
Dat brede schilderij, dat ik heerlijk voor mij alleen heb, brengt mij terug naar Terschelling. Op de kade bij de zogenoemde Tonnenloods van Rijkswaterstaat lagen altijd imposante stalen boeien. Als gigantische vruchten op een enorme fruitschaal. Met vormen en kleuren zoals ik ze nu voor me zie. Scherp oranje, geel-grijs, teerzwart en mild groen. Die stalen gevaartes moeten ieder jaar voor onderhoud het water uit. Dan bevestigt men dikke kettingen aan de hijsogen – de bevestigingspunten zijn ook op het schilderij te zien – en takelt ze uit het water. Het onderhoud van die stalen boeien is zwaar werk.
Rijkswaterstaat vervangt de tonnen nu door exemplaren van kunststof. Maar hoeveel versleten ruggen en schilderwerk dat ook scheelt, die moderne boeien krijgen in hun kunststof huid vast niet van die prachtige deuken en butsen. De meeste boeien op het schilderij zijn licht beschadigd. Met uiterste precisie geeft de kunstenaar het weer.
Er is nog iets dat ik herken. Zo inderdaad kan het zonlicht vanachter de wolken op het water vallen. Het maakt dat de zwarte, op een kookpot gelijkende boei scherp afsteekt tegen de horizon. Reusachtig als hij is, kreeg hij dat aandoenlijke laddertje tegen zich aan. De lettercombinatie SRK die hij draagt, staat voor Schelderadarketen. Een woord om een gedicht mee te beginnen.
De stugge sprieten op de voorgrond doen mij denken aan lange wandelingen over de waddendijk, even bijkomen in het gras en aan de waterkant de hoekigheid van de basaltblokken ervaren.
Maar ik wil de plek van het schilderij ook in het echt ondergaan. Ik neem de trein naar Rotterdam, de metro naar Spijkenisse, de bus naar Hellevoetsluis. Onderweg lees en bekijk ik wat Berserik over zijn manier van werken schreef en zei. Er ging een lang ‘dubben’ en schetsen aan vooraf. Met als doel een uitgesproken goed schilderij. Mooi van kleur en goed van compositie.
Soms flitst er onderweg op die reis naar Voorne-Putten iets voorbij waarvan ik me afvraag wat de kunstenaar ervan zou hebben gemaakt. Een mosterdgeel huisje op een volkstuincomplex. Een jongetje met een te grote helm op een skatebaan. Roestig oud ijzer bij een loods. Je gaat, als je je in zijn werk verdiept, kennelijk in Berserik-beelden denken.

In Hellevoetsluis stap ik uit. Het eerste dat ik aandoe is Fortresse Holland, een museum met zowel binnen als buiten aandacht voor met name de maritieme geschiedenis van de vesting. Zo is daar een droogdok uit de negentiende eeuw waar historische schepen worden onderhouden. Op een prominente plek in de tentoonstellingsruimte hangt een romantisch werk van Cornelis Dommelshuizen (1842-1928). In woest water loopt een groot zeilschip van de marine binnen.
Zichtbaar is, waar ik vooral voor kom: de vuurtoren van Hellevoetsluis uit 1822. Onderweg naar die toren vraag ik hier en daar of er op die plek ooit zo’n opslag van boeien is geweest. De meningen zijn verdeeld. Ik concludeer dat dit soms het geval was. Maar niet in die indrukwekkende hoeveelheid die Berserik daar neerzet.
Op het schilderij plaatst hij het witte lichtbaken met de patrijspoorten ietsje schuin. Hij geeft het bovendien een plek op de achtergrond. Met dat rode hoedje raakt het zelfs bijna de rand van het doek. Toch zie je dat de toren de hoofdrolspeler is.
Enkele boten varen langs de meerpalen de jachthaven in. Verder is het stil.
Als ik naar de bushalte loop, denk ik aan wat Berserik eens schreef. Dat het enige dat hij zocht rust was en evenwicht. En een beetje poëzie.
Dat heb ik vandaag aan het Haringvliet gevonden.