28 oktober 2026

Andermans kinderen zijn vaak een stuk minder vertederend dan de ouders zelf denken. Ook de geschilderde kroost van Jan Sluijters kon lange tijd op weinig enthousiasme rekenen. Terwijl zijn experimentele werk hem roem bezorgde, vielen zijn latere familieportretten bij kunsthistorici een juist minder in de smaak.  Maar waren die werkelijk zo mierzoet en kitscherig? Het Noordbrabants Museum neemt het op voor de brave kant van Sluijters.
Jan Sluijters, ‘Jan, Rob en Liesje Sluijters’, 1926-28, foto: Rob Lipsius
Jan Sluijters, ‘Jan, Rob en Liesje Sluijters’, 1926-28, foto: Rob Lipsius

Iedereen kent ze, of misschien bent u zelf wel zo iemand: mensen die te pas en te onpas met foto’s van hun (klein)kinderen op de proppen komen. Midden in een gesprek halen ze een telefoon tevoorschijn en tonen een verzameling van Jantje aan het eten, Pietje in bad, Miepje op het strand, enzovoort. Aandoenlijk, maar toch vooral interessant voor de (groot)ouder in kwestie. De rest van de wereld heeft doorgaans minder boodschap aan andermans familiekiekjes en voelt zich misschien wat opgelaten, als een indringer in dit intieme domein.

Zo zijn ook de vele kinderportretten van Jan Sluijters (1881-1957) lange tijd weggezet als sentimenteel, zoetsappig, zelfs ronduit kitscherig. Met ‘De kinderen van Sluijters’ wil Het Noordbrabants Museum die blik nuanceren en de kinderschilderijen een volwaardige plek in zijn oeuvre geven.

Zaaloverzicht ‘De kinderen van Sluijters’, foto: Rob Lipsius
Zaaloverzicht ‘De kinderen van Sluijters’, foto: Rob Lipsius

Schreeuwerige kleuren
Sluijters, geboren en getogen Bosschenaar, is een van Nederlands meest geliefde modernisten. Die reputatie dankt hij aan zijn ‘wilde jaren’ tussen 1906 en 1914, toen hij genoot van het Parijse nachtleven en ondertussen volop experimenteerde met schreeuwerige kleuren en een kubistische vormentaal.

Halverwege de jaren 1920, inmiddels een gerenommeerd societyportrettist en zelf huisvader, paste hij zijn stijl en onderwerpen aan, met rijke opdrachtgevers en de heersende moraal in het achterhoofd. Na de Tweede Wereldoorlog was het met Sluijters’ reputatie als vernieuwer gedaan. Onder invloed van modernistische kunsttheoretici als de Amerikaan Clement Greenberg werd alles wat figuratief was afgedaan als ouderwets en verdacht. Hielden de nazi’s immers niet ook van realistische kunst?

In zijn eigen tijd werd Sluijters door critici juist geroemd om zijn rustigere stijl. Deze gold als ideale combinatie van modern en traditioneel. Ook zijn behoudendere onderwerpkeuze werd verwelkomd. Stond Sluijters’ werk aanvankelijk te boek als sensueel en onzedig, nu zette hij naakt in als allegorie op de ideale familie. “Deze naakten zijn volkomen kuisch”, schreef het Maandblad voor Beeldende Kunsten in 1927 opgelucht. In portretten als Moederschap (1921) verwees hij onomwonden naar de beeldtraditie van Madonna met kind.

Zaaloverzicht ‘De kinderen van Sluijters’, foto: Rob Lipsius
Zaaloverzicht ‘De kinderen van Sluijters’, foto: Rob Lipsius

Staphorster klederdracht
De tentoonstelling maakt duidelijk dat die ‘brave’ kant altijd al in Sluijters had gezeten. Al vanaf zijn zeventiende illustreerde hij kinderboeken, zoals Theo Thijssens Jongensdagen (1909). In 1910 schilderde hij het tedere Kinderslaapkamer in Van Gogh-stijl.

Uiteraard spelen Sluijters’ eigen vier kinderen een hoofdrol, met als pronkstuk publieksfavoriet Liesje is jarig (1929), maar we zien ook de vele kinderportretten in opdracht, meisjes in Staphorster klederdracht en uiteindelijk Sluijters’ kleinzoons. Tegen de verveling tijdens het lange poseren kregen de kinderen steevast hun favoriete pop of speelgoed om vast te houden. Mooi dat enkele van die originele stukken ook tentoongesteld zijn.

Jan Sluijters, ‘Liesje is jarig’, 1929Jan Sluijters, ‘Jan, Rob en Liesje Sluijters’, 1926-28, foto: Rob Lipsius
Jan Sluijters, ‘Liesje is jarig’, 1929Jan Sluijters, ‘Jan, Rob en Liesje Sluijters’, 1926-28, foto: Rob Lipsius

Nieuwe inspiratie
Kort na de Tweede Wereldoorlog kwam bovengenoemde dochter Liesje (Elisa) met haar gezin bij Sluijters en zijn vrouw inwonen, in het kader van een overheidsmaatregel om de woningnood tegen te gaan. In de audiotour vertelt Sluijters’ kleinzoon Jan Kuijper dat dit voor een nieuwe impuls in zijn grootvaders werk zorgde: “In de jaren veertig en vijftig was hij op een dood spoor geraakt. Die gedwongen inwoning is zijn redding geweest, anders had hij alleen nog fabrieksdirecteuren en bloemstillevens geschilderd. Nu was hij voortdurend omringd door kinderen, dat gaf nieuwe inspiratie.”

Sterk aan de tentoonstelling is dat die niet alleen een completer beeld van Sluijters’ oeuvre geeft, maar ook laat zien hoe onze smaak verandert. En hoe wij ons daar als hedendaagse kijkers toe verhouden. Want ja, het is mierzoet, het is sentimenteel. Al die beeldschone kindertjes kijken je met grote, onschuldige ogen aan. En dat beeld wordt nog versterkt door de perzikroze en lila wanden. Maar is dat erg?

Het Noordbrabants Museum laat de kijker beslissen: moet moderne kunst per se vernieuwend, spannend en uitdagend zijn, of mag het soms ook een tikkeltje zoetsappig zijn, met lieflijke kinderportretten als ultieme guilty pleasure?